Veilingnieuws: de tuinen van graaf Bentinck op Sorghvliet

Afb. ‘Sorgvliet’, gewassen inkt op papier door Johannes Nutges (1717-1777). Foto met hartelijke dank aan het Venduehuis der Notarissen in Den Haag/www.venduehuis.com.

Op 21 t/m 23 november vindt de Autumn Auction plaats bij het Venduehuis in Den Haag met o.a. deze tekening van de tuinen van Sorghvliet van de familie Bentinck. Sorghvliet kennen we tegenwoordig beter als het Catshuis, de ambtswoning van de minister-president. Het huis werd oorspronkelijk gebouwd voor de bekende 17e-eeuwse dichter Jacob Cats, maar werd in 1675 aangekocht door de staatsman Hans Willem Bentinck (1649-1709), heer van Rhoon en Pendrecht. Deze raad en kamerheer van Koning-Stadhouder Willem III mocht zich in diens gunst verheugen en kreeg van hem in 1689 de Engelse titels Earl (graaf) of Portland, Viscount (burggraaf) Woodstock en Baron Cirencester.

Zijn oudste zoon volgde hem op in zijn Engelse titels en bezittingen en zijn jongere zoon Willem Bentinck (1704-1774), heer van Rhoon en Pendrecht, verkreeg onder meer Sorghvliet. In 1732 werd hij H.R. Rijksgraaf en een jaar later huwde hij de spraakmakende Charlotte Sophie des H.R. Rijksgravin von Aldenburg, die door de schrijfster Hella Haasse vereeuwigd werd in ‘Mevrouw Bentinck. Onverenigbaarheid van karakter & De groten der aarde’.

Op Sorghvliet werden door vader en zoon Bentinck tuinen aangelegd, die in hun tijd grote vermaardheid genoten en die bezoekers uit binnen- en buitenland aantrokken. Wat er eens was, moet vergelijkbaar zijn geweest met de tuinen van Het Loo. Van deze tuinen is niets overgebleven, maar tekeningen zoals deze laten zien hoe groots de aanleg eens was.

De tekening betreft kavel 41, meet 19 x 27,5 cm, is gesigneerd door Johannes Nutges (1717-1777) en wordt geschat op 250-350 euro.

Kijk voor de catalogus online van deze veiling op http://www.venduehuis.com of bezoek de kijkdagen op 16 t/m 19 november tussen 10.00-16.00 uur in het Venduehuis der Notarissen in Den Haag.

Tentoonstelling ‘Adel in beeld’: nog t/m zondag 18 november

Afb. 1. Detail van het prominente schilderij op deze tentoonstelling van Assueer Schimmelpenninck van der Oije door Dirck van Loonen.

Wie de tentoonstelling ‘Adel in beeld’ nog wil zien in Zutphen in het Hof van Heeckeren moet snel zijn, want zondag 18 november is de laatste gelegenheid! Portretten, voorwerpen, zilver en porselein uit museumbezit, maar ook uit particulier bezit, vertellen hier het verhaal van vier adellijke families: Van Heeckeren, Van der Capellen, Schimmelpenninck van der Oije en Van Westerholt. Deze hebben hun stempel op de stad en het Graafschap Zutphen gedrukt.

In de kleine, maar monumentale, binnenstad van Zutphen staat een uitzonderlijk groot aantal stadspaleizen van adellijke families. De meeste paleizen stammen uit de zeventiende eeuw en bevinden zich met name rond het ’s Gravenhof. Het Hof van Heeckeren, waar de Musea Zutphen sinds 2017 in gevestigd zijn, is hier een mooi voorbeeld van. Het verhaal van de tentoonstelling Adel in Beeld begint bij de ingang van de musea, bij de Schelpenkoepel. De Schelpenkoepel is in 1697 gebouwd door ambassadeur Walraven II van Heeckeren en deed dienst als achteringang van het stadspaleis van de familie Van Heeckeren. Met de recente vestiging van de Musea Zutphen in het oude stadspaleis, is het verhaal van het Stedelijk Museum Zutphen rond. In 1877 was gemeentearchivaris Ludolph baron van Heeckeren van Waliën namelijk een van de oprichters van de Oudheidkamer, waaruit het Stedelijk Museum is voortgekomen. Een bezoek aan de musea staat gelijk aan dwalen door de tastbare geschiedenis van deze en andere adellijke families.

Afb. 2. Links de portretten van het echtpaar Van der Capellen-Schimmelpenninck van der Oije en rechts het grote portret van Assueer Schimmelpenninck van der Oije met zijn bediende en een mastiff-achtige hond, een voorloper van een Anatolische herdershond, die hij van een reis naar het buitenland meebracht.

Op het schilderij van Dirck van Loonen is Assueer Schimmelpenninck van der Oije geportretteerd. Hij vertrok rond 1657 voor een jaar naar het Heilige Land om handelsovereenkomsten te beslechten. De reis wordt ook wel gezien als kroon op zijn opvoeding. Bij terugkeer in Zutphen liet hij zich in dit prachtige Turkse kostuum portretteren om de herinnering aan zijn reis levend te houden. De mastiff-achtige hond, een voorloper van een Anatolische herdershond, is als souvenir door hem meegebracht.

De familie Schimmelpenninck was goed vertegenwoordigd in Zutphen. In 1672 waren er ruim tien huishoudens Schimmelpenninck. Dit jonge adellijke geslacht had veel macht in de stad en bekleedde voornamelijk hoge (bestuurs)functies. Dit gold ook voor de familie Van der Capellen. Een van de leden van deze familie is landelijk bekend en berucht geworden. Robert Jasper van der Capellen tot den Marsch was aan het einde van de achttiende eeuw een van de belangrijkste patriottenleiders in Nederland. Hij werd vanwege zijn anti-Oranjegezinde activiteiten ter dood veroordeeld, maar wist net op tijd naar Frankrijk te vluchten.

Lang niet alle adellijke families hebben de tand des tijds overleefd. De familie Van Westerholt van Hackfort, die behoorde tot de oude landadel, bezat meerdere landhuizen in het Graafschap Zutphen. Kasteel Hackfort is na de dood van de laatste baron en zijn zussen in 1981 nagelaten aan Natuurmonumenten. Het Stedelijk Museum Zutphen ontving de collectie, een deel hiervan is te zien in de tentoonstelling.

Link naar meer informatie over bezoekmogelijkheden http://www.museazutphen.nl

Afb. 3. Bruiklenen uit adellijk bezit op de tentoonstelling ‘Adel in beeld’: Frans porselein met het Van Heeckeren wapen en familiezilver.

Boekennieuws: Martenastate. Proeftuin van het paradijs

Afb. Op de achtergrond Martenastate met als inzet de tragische jonkheer Duco Martena van Burmania Vegelin van Claerbergen (1859-1894).

Wie in het Friese Koarnjum het huidige huis Martenastate ziet met zijn ranke torentje, zal niet vermoeden dat dit huis van ruim een eeuw oud een veel oudere voorgeschiedenis heeft met roemrijke bewoners. Het huidige huis werd honderd jaar geleden gebouwd en kwam in de plaats van de eeuwenoude Martenastate, die in 1900 werd afgebroken vanwege de bouwvallige staat.

In ‘Martenastate. Proeftuin van het paradijs’ is de rijke geschiedenis van deze state nu zeer leesbaar vastgelegd. In de opeenvolgende hoofdstukken komen verschillende facetten aan bod. Zo is er een hoofdstuk over het eens machtige adellijke geslacht Martena en zijn er bv. hoofdstukken over de beheerproblemen in meer recente tijden en het groene verleden van de state, maar ook over de aanwezige stinzeflora, die er nu nog ruim te vinden is.

Voor volgers van AiN zal vooral het hoofdstuk ‘Een onafwendbaar familiedrama – het einde van Duco’ zeer aanspreken. Hierin wordt het tragische verhaal verteld van jonkheer Duco Martena van Burmania Vegelin van Claerbergen (1859-1894). Hij werd geboren in een rijke, adellijke familie en was voorbestemd om als enige mannelijke erfgenaam de familietraditie op Martenastate voort te zetten. Duco werd echter gekweld door depressies en kon aan de hoge verwachtingen die op hem rustten niet voldoen. Uiteindelijk koos hij zelf voor de dood en legateerde Martenastate aan de hervormde kerkvoogdij, die het enkele jaren daarna liet afbreken.

In het rijkgeïllustreerde boek is daarnaast veel interessante informatie over aan Martenastate gerelateerde onderwerpen in afzonderlijke kaders opgenomen. Zo is er het verhaal over de admiraal-staf van Duco van Martena en het verhaal over de familiegrafheuvel op het landgoed, maar ook kleinere verhalen als dat over zwanehalsbanden en het tafeltje van voornoemde Duco. Een uitgebreide genealogie achterin brengt de vererving van Martenastate op de opeenvolgende geslachten Van Martena, Van Burmania en Vegelin van Claerbergen overzichtelijk in beeld.

Benieuwd geworden naar het boek? Kijk voor meer informatie en bestelmogelijkheid op http://www.wijdemeer.nl/webshop/Martenastate-Proeftuin-van-het-paradijs/1

Tentoonstelling Schelte van Aysma: nu ook in Duitsland

Afb. De replica van de unieke helm van de Friese kolonel Schelte van Aysma maakt deel uit van de tentoonstelling in Bunde.

In het Duitse Bunde werd afgelopen zaterdag een tentoonstelling geopend over de Friese kolonel Schelte van Aysma (1578-1637). In de Evangelisch-Reformierte kerk aldaar is deze tot het einde van het jaar te bezichtigen. ds. Heiko Rademaker uit Bunde en Henk Bies namens Skeltemania, spraken de aanwezigen toe, waarna een korte film over het leven van Schelte werd getoond, speciaal voor deze gelegenheid voorzien van Duits ingesproken commentaar. Hierna leidde André Buwalda de aanwezigen langs de tentoonstelling.

Dankzij het theaterstuk Skeltemania, onderdeel van het project Under de Toervan de Culturele Hoofdstad 2018, ontstond er een partnerschap tussen Schettens en Bunde. Het hebben van een Europese partner is één van de vijf pijlers van een Under de Toer project.

Deze samenwerking leidde al eerder tot een aantal ontmoetingen wederzijds, waarbij een Duitse delegatie in september het theaterstuk in Schettens bijwoonde.

Schelte van Aysma was van 1628-1631 de eerste commandeur van de toen gloednieuwe Langackerschans, nu bekend als Bad Nieuweschans. In zijn laatste jaar op de schans liet hij brood uit Bunde halen, omdat het brood in de schans te duur voor de soldaten was, waardoor er een opstand dreigde uit te breken.

Dit gegeven sprak de inwoners van Bunde zo aan, dat dit het thema werd van de Nederlands-Duitse samenwerking: Brot und Spiele.

In de tentoonstelling worden negen themas behandeld, zoals de militaire carrière van Schelte en de ontdekking van de helm en grafkelder. Dezelfde tentoonstelling was ook te zien in het Skeltemuseum(Dorpshuis De Terp), tijdens de zes uitverkochte voorstellingen van Skeltemania.

Wereldoorlog I 1918-2018 & Nederlandse adel

Vandaag op 11 november wordt herdacht dat 100 jaar geleden de Eerste Wereldoorlog eindigde, toen de wapenstilstand werd gesloten. Het was een oorlog met 8-10 miljoen doden op de slagvelden, ruim 2 miljoen burgerslachtoffers en nog meer miljoenen die stierven door de gevolgen van ziektes door schaarste en gebrek. Ook al bleven wij als Nederland neutraal, toch ondervonden wij ook hier de gevolgen door schaarste aan goederen en eten, talrijke vluchtelingen (meer dan een miljoen Belgen zocht hier hun toevlucht), slachtoffers op zee en door Nederlanders die meevochten in vreemde krijgsdienst.

De Nederlandse adel had (en heeft) een internationaal karakter en dit zorgde voor huwelijksbanden met en zelfs vestiging in andere landen, die actief betrokken waren bij oorlog. Hierdoor nam een aantal Nederlandse edelen ook actief deel aan de strijd. Sommige adellijke families kwamen in een spagaat terecht, want deze hadden zich gesplitst in verschillende takken, die aan beide zijdes meevochten. Hieronder een aantal voorbeelden.

Afb. 1. William Frederick Charles Henry graaf Aldenburg Bentinck (1880-1958) in het uniform van Garde du Corps in Pruisische dienst in 1904 door Armin Horovitz. Coll. kasteel Middachten/www.rkd.nl.

Bentinck
De familie Van Aldenburg Bentinck kent een Engelse en een Nederlandse tak. Een Engelse neef, Henry Duncan Count (graaf) Bentinck (1881-1916), was majoor bij de Coldstream Guards en vocht mee in de beruchte Slag aan de Somme, waarbij meer dan een miljoen soldaten sneuvelden. Hij overleed vijfendertig jaar oud aan zijn verwondingen. Twee Nederlandse neven van hem vochten mee aan Duitse zijde: William Frederick Charles Henry graaf Aldenburg Bentinck (1880-1958) eerst als luitenant-kolonel en later als ritmeester bij het Kurasierregiment van de Garde du Corps en Frederik George Unico Willem graaf Bentinck (1888-1942) als luitenant bij hetzelfde regiment. Hierbij moet overigens opgemerkt worden dat beide broers de Duitse en Engelse nationaliteit bezaten en pas in 1920 als Nederlander werden genaturaliseerd en in de Nederlandse adel werden ingelijfd.

Clifford Kocq van Breugel
Jonkheer Willem Hendrik Clifford Kocq van Breugel (1856-1933) werd geboren in Hellevoetsluis, maar zijn vader werd in 1875 als ‘Clifford Kocq von Breugel’ opgenomen in de Pruisische adel. Willem Hendrik vocht mee aan Duitse zijde, bereikte de rang van generaal-majoor en werd commandant van de cavalerie brigade in Darmstadt. Hij ontving vele Duitse Orden als: het Pruissisch IJzeren Kruis, de Preussischer Roter Adlerorden 2. Klasse mit Eichenlaub, Preussischer Roter Adlerorden 3. Klasse mit Schleife en de Preussische Kronen-Orde 3. Klasse.

Afb. 2. René Felix Willem graaf van Bylandt (1879-1931). Foto met dank aan ‘Iconografie van het Geslacht van Limburg Stirum’ door C.J. graaf van Limburg Stirum..

Van Bylandt
De familie Van Bylandt heeft een Nederlandse en een Duitse tak. Van de Nederlandse tak vocht aan Duitse zijde mee: René Felix Willem graaf van Bylandt (1879-1931). Hij was eerst luitenant-kolonel bij het 1e Rheinische Huzaren Regiment nr. 7 en later ritmeester bij het 2e Huzaren Regiment. Bij zijn overlijden – hij stierf door een auto-ongeval – schreef men (in het juninummer 2017 van het magazine van AiN staat zijn levensverhaal): “Zijn zware tijd kwam met de ineenstorting van het Duitsche rijk dat hem tot een tweede vaderland geworden was, waardoor hem vele illussies benomen werden.”

De Casembroot
Jonkheer Franz Rudolf de Casembroot (1883-1962). Zijn vader werd in 1903 genaturaliseerd als Pruis. Franz Rudolf vocht mee aan Duitse zijde en was eerst luitenant en adjudant bij het Schlesische Feld-Artillerie Regiment nr. 6 en werd uiteindelijk kolonel bij de artillerie.

Afb. 3. Jonkheer Jacob August Cornelis Hartsen (1891-1916). Foto met dank aan Groenegraf.nl.

Hartsen
Jonkheer Jacob August Cornelis Hartsen (1891-1916) werd geboren in Baarn, maar werd in 1911 ingelijfd in de adel van het Koninkrijk Saksen. Hij trad als 1e luitenant bij de cavalerie in Saksische dienst en sneuvelde op 15 juli 1916 bij een luchtgevecht bij Mons en Chaussée (Somme) in Frankrijk. Hij was de laatste mannelijke nakomeling van zijn tak en stamhouder van zijn familie (link naar een verhaal over hem online https://groenegraf.blogspot.com/2012/06/een-baarnse-jonkheer-sterft-aan-het.html )

Van Limburg Stirum
Deze familie kent een Nederlandse, Belgische en Duitse tak en leden vochten aan Belgische en Duitse zijde. Toen een graaf uit de Belgische tak krijgsgevangen werd genomen, werd hij geïnterneerd op Eberspark, het landgoed van de Duitse tak, en bracht daar in comfortabele omstandigheden zijn krijgsgevangenschap door. Twee leden van de Nederlandse tak vochten mee aan Duitse zijde: Jules Menno Frederik graaf van Limburg Stirum (1877-1954) als ritmeester in Pruisische dienst en zijn broer François Theodor graaf van Limburg Stirum (1879-1952) ook als ritmeester bij het 2e Grossherzogliche Hessische Leibdragoner Regiment nr. 24.

De Marchant et d’Ansembourg
De familie kent een Nederlandse, Luxemburgse en Belgische tak. Uit de twee laatsgenoemde takken vochten leden mee aan geallieerde zijde, terwijl uit de Nederlandse tak Maximilianus Victor Eugène Hubertus Josef Maria graaf de Marchant et d’Ansembourg (1894-1975) zich op achttienjarige leeftijd tot Pruisisch staatsburger liet naturaliseren en aan Duitse zijde meevocht, waar hij de rang van res.-1e luitenant artillerie bereikte.

Nahuys
Jonkheer Johan Leonard Nahuys (1870-1928) was in de jaren 1901-1906 burgemeester van Limmen. Kort voor de Eerste Wereldoorlog werd hij genaturaliseerd tot Duits Staatsburger en vocht vervolgens als res.-kapitein in Duitse dienst in de oorlog mee.

Rendorp
Jonkheer Piet Joachim Roger Rendorp (1877-1957) trad als officier in Pruisische dienst en vocht aan Duitse zijde mee als ritmeester bij het 2e Hannoveraanse Uhlanen Regiment nr. 14.

Afb. 4. Jonkheer Carel Jan Julius Storm van ´s-Gravesande (1865-1927) en zijn zusje jonkvrouwe Johanna Bertha Storm van ‘s Gravesande (1870-1956). Foto part. coll.

Storm van ’s Gravesande
Jonkheer Albertus Wilhelmus Storm van ’s Gravesande (1873-1915). Zijn vader werd nog geboren in Zutphen, maar vestigde zich in Duitsland en huwde een Duitse vrouw. Albertus Wilhelmus was eerst kapitein bij het 1e Westfälische Infanterie Regiment nr. 13 en werd majoor bij de infanterie in Pruisische dienst. Hij sneuvelde op 24 oktober 1915 bij Dvinks (Rusland) tijdens gevechtshandelingen tegen de Russen.

Jonkheer Carel Jan Julius Storm van ´s-Gravesande (1865-1927). Via zijn moeders familie was hij verwant aan de Duitse hoogadel. Hij had een onrustige natuur, zat op verschillende kostscholen, maakte reizen naar onder meer Ned.-Indië en trad in Duitse dienst. Onder welke rang hij meevocht, is niet bekend, maar wel bleef in de familie nog lang het IJzeren Kruis bewaard, waarmee hij onderscheiden werd.

Teixeira de Mattos
Jonkheer Marie Johan Teixeira de Mattos (1896-1990) vocht aan Duitse zijde mee als luitenant in het Huzarenregiment Königin Wilhelmina der Niederlanden.

Afb. 5. Maurice Arthur baron van Tuyll van Serooskerken (1888-1915).

Van Tuyll van Serooskerken
Maurice Arthur baron van Tuyll van Serooskerken (1888-1915) had een grootvader, die een Engelse echtgenote huwde. Ook zijn vader trouwde een Engels vrouw en werd luitenant bij de Royal Gloucestershire Hussars. Nadat de vader van Maurice op jonge leeftijd was overleden, sloot zijn moeder een schitterend huwelijk met de 9th Duke of Beaufort en werd zij hertogin. Maurice werd in 1908 2e luitenant en nadien ritmeester, om uiteindelijk kapitein bij de 10th (Prince of Wales’s Own) Royal Hussars te worden. Hij sneuvelde op 13 mei 1915 in Ieper, West-Vlaanderen, waar nog heden zijn graf te vinden is.

De Weichs de Wenne
Joseph Maria Hubertus Franciscus Johannes baron de Weichs de Wenne (1888-1965) werd geboren in Duitsland uit een van oorsprong Duitse familie, maar zijn overgrootvader werd in 1816 opgenomen in de Nederlandse adel en hiermee kreeg deze tak van het geslacht de Nederlandse nationaliteit. Hij vocht als res.-luitenant veldartillerie in Pruisische dienst mee in de Eerste Wereldoorlog, maar toen de oorlog afgelopen was, keerde hij terug naar Nederland en werd burgemeester van Wanssum (1923-1953) en van Meerlo (1937-1953), en kamerheer i.b.d. van Koningin Wilhelmina en Koningin Juliana.

Afb. 6. Op de foto zittend in het midden: Her Grace The Duchess of Beaufort née Louisa Emily Harford (1864-1945) en douairière Charles Frederic baron van Tuyll van Serooskerken. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zou zij als oorlogsvrijwilligster dienst doen en gewonden verzorgen. Van links naar rechts haar kinderen François Charles Owen (‘Frankie’) baron van Tuyll van Serooskerken (1885-1952), Lady Blanche Linnie Somerset (1897-1968), Lord Henry Hugh Arthur Fitzroy Somerset, Marquess of Worcester (1900-1984), Maurice Arthur baron van Tuyll van Serooskerken (1888-1915), die in Ieper sneuvelde, en Lady Diana Maud Nina Somerset (1898-1935). Foto met dank aan www.badmintonvillage.com

De zaak Delphine Boël (3), door jonkheer mr. Dolph Boddaert

Afb. Het wapen Boël. Afbeelding met dank aan Mimich – Eigen werk, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=9102615.

Het laatste artikel over de zaak Boël in Adel in Nederland dateert van 20 mei 2017 (zie: https://www.adelinnederland.nl/zaak-delphine-boel-2-jonkheer-mr-dolph-boddaert/). In dat artikel moest worden bericht, dat de vorderingen van Delphine Boël tot ontkenning van het vaderschap van haar wettige vader Jacques Boël en de vaststelling van het vaderschap van koning Albert II waren afgewezen door de rechtbank in Brussel.

Delphine is van deze uitspraak in beroep gegaan bij het Gerechtshof in Brussel en met succes. In een uitvoerig gemotiveerde uitspraak van 25 oktober 2018 heeft het Hof beslist, dat Jacques Boël niet meer de wettige vader is van Delphine. Bovendien heeft het Hof beslist, dat koning Albert II DNA zal moeten afstaan, ten einde vast te stellen of hij inderdaad de natuurlijk vader is van Delphine.

De procedure bestond uit twee onderdelen.

In de eerste procedure had Delphine gevorderd, dat de wettelijke band met Jacques Boël zou worden verbroken. Jacques Boël had zelf ingestemd met deze vordering van Delphine. Hij had zich vrijwillig onderworpen aan een DNA – test, die aangaf, dat hij niet de verwekker van Delphine is geweest. Maar koning Albert II was in deze procedure als procespartij tussengekomen en had betoogd, dat het bezit van de wettige staat en de integratie in een familiestructuur aan toewijzing van de vordering in de weg zou staan. De Rechtbank was met deze redenatie meegegaan.

Het Gerechtshof heeft nu beslist, dat koning Albert helemaal niet bevoegd was om in deze procedure tussen te komen. Een procedure tot ontkenning van wettigheid kan alleen worden gevoerd door het kind zelf, door de moeder, door de wettige vader of door een man die beweert de natuurlijke vader te zijn. Maar een man, die juist beweert, dat hij niet de natuurlijke vader is, heeft met deze procedure niets te maken, aldus het Hof. Verder achtte het Hof het in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en met het Mensenrechtenverdrag om de wettelijke status in overeenstemming te brengen met de biologische werkelijkheid.

De tweede procedure strekte tot vaststelling van het vaderschap van koning Albert II. Deze kon alleen slagen, wanneer de wettelijke band tussen Delphine en Jacques Boël zou zijn verbroken. Nu hierover een beslissing is gevallen, rest nog slechts de vraag of koning Albert II inderdaad de verwekker van Delphine is geweest. En het Hof heeft nu beslist, dat koning Albert DNA materiaal zal moeten afstaan aan een daartoe aangewezen deskundige. Koning Albert II heeft drie maanden de tijd om van de uitspraak in cassatie te gaan.

Bergen 6 november 2018

 

Adel in Nederland: verleden tijd of onsterfelijk?

Inge van Breda studeert journalistiek aan Hogeschool Utrecht en interviewde Pieter van Beyma (ex-jonkheer), jonkheer Christiaan van Nispen tot Sevenaer en John Töpfer, directeur AiN, over de Nederlandse adel en zijn toekomst.

Ex-jonkheer Pieter van Beyma besloot eind jaren ’70 dat hij uit de adel wilde stappen, tot groot ongenoegen van de Nederlandse Hoge Raad van de Adel. Een jaar of zeven en heel wat doorzettingsvermogen verder raakte hij eindelijk zijn predikaat van jonkheer kwijt. Door deze keuze is hij de enige nog levende ex-jonkheer die vrijwillig de adel uit is gestapt. Volgens hem is het einde van de adel in zicht, maar jonkheer Christiaan van Nispen tot Sevenaer en John Töpfer, directeur van de Stichting Adel in Nederland, kan de adel nog eeuwenlang bestaan.

Afb. 1. Jonkheer Christiaan van Nispen tot Sevenaer.

De Nederlandse adel heeft officieel geen enkele functie meer in de maatschappij. Bij de grondwetswijziging in 1848 zijn de voorrechten van de adel afgeschaft. Dit betekent volgens jonkheer Christiaan van Nispen tot Sevenaer (56) echter niet dat de adel helemaal niks meer voorstelt. “Ik denk dat de adel een voorbeeldfunctie heeft. Er wordt nog steeds naar je gekeken. We hebben ook van huis uit altijd meegekregen dat je er niet alleen voor jezelf bent, maar ook voor een ander.” Ook ex-jonkheer Pieter van Beyma (75) kan dat beamen: “Er worden hogere eisen aan je gesteld. Aan je gedrag, aan je manifestatie naar buiten toe: je moet je fatsoenlijk gedragen en weten wie je bent, van adel dus.”

Van adel zijn en de vooroordelen die daarbij komen kijken, daar wilde Pieter van Beyma vanaf. “De titel verwijderde mij van de mensen waarmee ik werkte. Mensen gingen mij op een hoger niveau zetten, waar ik niet om had gevraagd”, legt hij uit. “Het hebben van de titel jonkheer heeft mij nooit iets gedaan. Wacht, dat klopt niet helemaal. Als je ontdekt dat je een titel hebt, geeft het je wel het gevoel dat je iets aparts hebt. Dat je bijzonder bent, want niet iedereen heeft het. Al gaandeweg mijn volwassenwording ben ik er gewoon achter gekomen dat het flauwekul is. Je hoeft je niet bijzonder te voelen omdat je een paar lettertjes voor je naam hebt staan.” Na deze bewustwording begon van Beyma zich te ergeren aan die lettertjes voor zijn naam. Deze ergernis ging zo ver dat hij besloot uit de adel te gaan stappen.

Het proces van uit de adel stappen ging niet zonder slag of stoot. Het heeft uiteindelijk zo’n zeven jaar geduurd tot Van Beyma officieel niet meer tot de adel hoorde. Het was eerst zoeken naar de ingangen waar hij heen zou moeten om zijn doel te bereiken. “De Hoge Raad van de Adel zat in eerste instantie helemaal niet in mijn vizier, maar die gingen er natuurlijk ook wat van vinden. Natuurlijk waren zij tegen, ze waren bang dat andere edelen mij gingen volgen.”

Tijdens het proces is Van Beyma één keer bij toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken Koos Rietkerk uitgenodigd, in de hoop dat de Minister mee zou gaan in de argumentatie van Van Beyma en akkoord zou gaan met de inlevering van zijn titel. Maar dat was niet het geval. “Rietkerk kon op een gegeven moment geen tegenargumenten meer vinden en liet de zaak op zijn beloop. Toen ben ik naar de ombudsman gegaan.” De ombudsman is toen achter het standpunt van Van Beyma gaan staan. “Hij zei: die man heeft een verzoek bij de overheid ingediend, en die overheid reageert helemaal niet meer. Dat is obstructie van de burger. En dat mag niet”, legt de ex-jonkheer uit.

Na jarenlang doorzetten is het Van Beyma dus gelukt uit de adel te stappen. Maar deze overwinning heeft er echter niet voor gezorgd dat deze titel overal voor de naam van Van Beyma verdwenen is, wat het grote doel van deze missie was. “De enige plek waar het mij is gelukt die titel weg te halen, is op mijn rijbewijs. Verder staat het overal nog.” Hoe dat kan? Van Beyma vermoedt dat het vanuit de regering niet helemaal is doorgezet. “Ze willen niet dat er nog meer mensen met dit proces aan de gang gaan, dus als je maar gewoon ontkent of het gewoon maar ergens in de goot laat liggen, dan denk je “die man die gaat een keer dood en dan zijn we er weer van af.”’

Afb. 2. Het familiewapen Van Beyma.

Pieter van Beyma heeft er bewust voor gezorgd dat alleen hij de adel zou verlaten, hij wilde zijn familie daar verder niet in meenemen. “Zij vonden het eigenlijk onzinnig dat ik er zo mee zat. Je gebruikt dan toch gewoon die titel niet? Dat is eigenlijk wat zij allemaal doen. En de een wordt er af en toe wel mee geconfronteerd, de ander niet. Een van mijn broers gebruikt het bewust, hij vindt het mooi dat dat nog kan. De anderen niet, die zijn er kennelijk tevreden mee. Ik vind dat een wat laf standpunt. Als je er niet meer in gelooft, dan doe je het weg. Klaar.”

Bij jonkheer Christiaan van Nispen tot Sevenaer heeft het predikaat van jonkheer nooit in de weg gestaan. “Ik voel vooral nieuwsgierigheid. Toen ik ging studeren, woonde ik boven een kroeg in Eindhoven. Daar kwam de post binnen en op een gegeven moment vraagt de man achter de bar van de kroeg: “Wat is dat nou? Zijde gij van adel?” Ik zei ja. “Oh, moet ik nou baron tegen u zeggen?” Meer dan dat is het niet. Het is gewoon pure nieuwsgierigheid.” Wel komt er een bepaald verwachtingspatroon bij kijken, legt hij uit. Men verwacht integriteit, beschaafdheid, weten “hoe het heurt”, waar de adel ook wel aan probeert te voldoen.

Volgens de jonkheer heeft de adel tegenwoordig geen grote functie meer en voegt de adel zich steeds meer tussen “de mens”. “Vroeger was dat wel anders. Ik ging ooit een keer met een overgrootmoeder naar een bruiloft toe. Dat was een redelijk populaire bruiloft en daar stond een rij van twee uur om bij het bruidspaar te komen en zij liep daar zo voorbij. Ik dacht dat we moesten wachten. “Ja maar dat is voor de mens, dat is niet voor mij”, zei ze. Dat was een product van haar tijd. In haar tijd ging dat zo. Dat kan nu niet meer.”

Volgens Van Nispen heeft de opvatting “adel is niet meer van deze tijd” te maken met een denkbeeld dat men heeft dat aansluit op hoe de adel in vroegere tijden was en zoals je het in de geschiedenisboeken hebt geleerd. De adel woont op kastelen, ver verheven boven het volk. “En dan hebben ze volkomen gelijk, dat beeld is niet meer van deze tijd. Alleen als je nu ziet hoe de adel zich aangepast heeft of meegegaan is in de maatschappelijke veranderingen die er zijn, het zit gewoon als een solide cement door de samenleving heen.”

Afb. 3. John Töpfer, directeur Stichting Adel in Nederland. Foto met hartelijke dank aan Freddy Schinkel.

De Nederlandse adel bestaat uit zo’n 11.000 leden. Dat aantal blijft al een hele tijd stabiel, ondanks dat er families uitsterven. Er zijn namelijk ook families waarin heel veel kinderen worden geboren, waardoor het aantal edelen niet daalt, volgens directeur van Stichting Adel in Nederland John Töpfer. Mede door deze stabiliteit in het aantal edelen ziet Töpfer de adel voorlopig nog niet uitsterven. “Net zoals de Nederlandse bevolking niet zal uitsterven, zal dit ook niet met de Nederlandse adel gebeuren. Ook zie ik in de afgelopen decennia bij de oudere en ook bij de jongere generaties van de Nederlandse adel een hernieuwde interesse in de familiegeschiedenis.”

Töpfer legt uit dat edelen vaak een groot verantwoordelijkheidsgevoel hebben tegenover de medemens. Veel leden van de Nederlandse adel zijn zeer maatschappelijk betrokken. Ze zijn actief bij goede doelen en zetten zich in voor mensen die hun hulp kunnen gebruiken. Dit is ook te zien bij zowel Van Nispen tot Sevenaer als bij Van Beyma. Van Beyma heeft een aantal jaar in Afrika gewoond om daar met zijn landbouwkennis jonge Afrikaanse boeren op te leiden, waarna zij zelf verder konden werken. Van Nispen zet zich in voor de Orde van Malta en is daarvoor al meerdere keren naar Lourdes afgereisd om ouderen en gehandicapten te helpen.

“Ik denk dat adel een voorbeeld kan zijn”, geeft Töpfer aan. “Hoe je een schakel bent in een keten en verantwoordelijkheid hebt voor de komende generaties, daarbij geïnspireerd door je voorgeschiedenis. Het is aan de jongere generaties hoe zij dit willen gaan invullen en hoe zichtbaar zij hierbij willen zijn.”

Volgens Töpfer en Van Nispen ziet de toekomst van de Nederlandse adel er dus prima uit, zolang het maar blijft meegroeien met de rest van de maatschappij. Op die manier kan de adel nog eeuwen doorgaan, in elk geval zolang de monarchie nog bestaat. En zelfs zonder monarchie kan de adel nog blijven bestaan, zoals in Duitsland het geval is. In tegenstelling tot deze mening ziet ex-jonkheer Van Beyma het liefst een toekomst zonder adel voor zich. “Ik vecht voor het afschaffen van die titel, die vind ik volstrekt uit de tijd en onnodig. Behoren tot de adel geeft een soort fake idee dat je beter bent. Dat kan niet. Laat gewoon zien wie je bent en doe dat aan de hand van wat je presteert en hoe je in het leven staat. Daar is een titel niet bij nodig.”

Op stand aan de wand: baron en barones Van der Capellen

Afb. Baron en barones Van der Capellen op hun portretten door J. Linge uit 1912. Foto’s met dank aan het Notarishuis Arnhem/www.notarishuis-arnhem.nl.

Begin deze week werden bij het Notarishuis in Arnhem deze portretten van baron en barones Van der Capellen-Van Walchren geveild. Het betreft Reinier Hendrik Otto baron van der Capellen (1854-1937), die generaal-majoor en lid van de Hoge Raad van Adel was, en zijn echtgenote Johanna Diederika van Walchren (1868-1952). Zij stamde uit een patriciaatsfamilie en was de dochter van een Rotterdamse reder en koopman.

In de afgelopen jaren doken er op verschillende veilingen portretten op uit de eens grote verzameling van de familie Van der Capellen, die een vrij compleet beeld bood van deze familie door de eeuwen heen. Sommige vonden een nieuw onderdak in de Musea Zutphen, de stad waar de familie eeuwenlang een zeer belangrijk rol speelde, andere kwamen in een stichting terecht en sommige kregen een onbekend onderdak. AiN is benieuwd te horen welke bestemming deze twee portretten hebben gekregen!

In één van de komende magazines van AiN, die donateurs vier keer per jaar per mail toegestuurd krijgen, komt een artikel te staan met daarin een reconstructie van wat eens eeuwenlang bijeenkwam.

Huis de Schaffelaar in Barneveld: het mooiste kasteel in neo-Tudorstijl in Nederland.

Afb. Huis de Schaffelaar in Barneveld, een nieuw kasteel uit 1852 met torens, tinnen en transen.

In 1852 huwde Jasper Hendrik baron van Zuylen van Nievelt (1808-1877), heer van de Schaffelaar (1828-1877) Jeanne Cornélie barones van Tuyll van Serooskerken (1822-1890) en in datzelfde jaar werd de eerste steen gelegd voor een groot nieuw huis in de toen uiterst modieuze Engelseneo-Tudorstijl. Wie het nu ziet, krijgt een beetje ‘Downton Abbey gevoel’.

Door het overlijden van hun enige zoon, Coenraad Jan baron van Zuylen van Nievelt, in 1865 op elfjarige leeftijd werd hun dochter Johanna Magdalena Cornelia barones van Zuylen van Nievelt (1856-1934) de volgende vrouwe van de Schaffelaar (1877-1934). Haar echtgenoot, Anne Willem Jacob Joost baron van Nagell (1851-1936), was voorbestemd om zijn vader als oudste zoon op het huis Ampsen op te volgen, maar door het huwelijk met deze erfdochter vestigde hij zich op de Schaffelaar en was gedurende tweeënveertig jaar burgemeester van Barneveld. Tegenover het kasteel herinnert een borstbeeld aan zijn jaren als burgervader.

In 1934 werd hun oudste dochter, Johanna Cornelia barones van Nagell (1881-1935), de volgende vrouwe van de Schaffelaar (1934-1935), maar zij overleed het jaar erna helaas aan een ongeneeslijke ziekte en de Schaffelaar vererfde op haar neef Egbert Joost baron van Nagell (1923-1944), die de nieuwe heer van de Schaffelaar (1935-1944) werd. In datzelfde jaar verliet de familie het kasteel. Egbert Joost sneuvelde als vliegenier voor het vaderland en zijn zusje Jeanne Linnie Alice barones van Nagell (1918-2007) werd de laatste vrouwe van de Schaffelaar (1944-1968).

Zij huwde in 1939 jonkheer Willem François Clifford Kocq van Breugel (1914-2015), maar bewoonde het huis nimmer; de kosten van onderhoud en de successierechten, die drie keer in tien jaar tijd betaald moesten worden, maakten dit niet mogelijk. Even ging nog het gerucht dat Prinses Margriet en echtgenoot mr. Pieter van Vollenhoven het zouden gaan bewonen en zelfs was er even sprake van dat het misschien gesloopt zou worden.

In 1967 verkocht mevrouw Van Breugel echter het 90 ha. grote landgoed aan het Geldersch Landschap en het kasteel werd voor het symbolische bedrag van 1 gulden verkocht aan de gemeente Barneveld. Nadien volgde er een veiling van een deel van de inboedel en antieke meubelen, kristal, porselein, luchters, kristallen kronen, klokken, Perzische tapijten, enz. wisselden van eigenaar. De laatste vrouwe van de Schaffelaar heeft naar verluidt nimmer meer voet in Barneveld gezet, maar keerde pas in 2007 terug, toen zij herenigd werd met haar voorouders in het familiegraf.

Boekennieuws: National Trust. Hollandse meesters uit Britse landhuizen

Afb. De voorzijde van het boek, met een doorkijkje naar de Green Closet in Ham House, ingericht door Richard Murray, 1st Earl of Dysart.

De National Trust beheert in Engeland, Wales en Noord-Ierland naast landschappen zo’n 200 historische landhuizen met daarin één van de grootste schilderijenverzamelingen in het Verenigd Koninkrijk. Het Mauritshuis in Den Haag heeft nu de primeur dat zij voor het eerst een selectie van de mooiste en meest bijzondere Nederlandse schilderijen uit 12 verschillende Britse landhuizen kan laten zien, met namen als Rembrandt, Cuyp, Hobbema en Van de Velde.

Bij Waanders Uitgevers Zwolle verscheen het begeleidende boek, waarin het verhaal bij deze schilderijen, hun verzamelaars en de huizen waar ze hangen verteld wordt. Sinds de 17e eeuw waren Nederlandse schilderijen in trek bij rijke en adellijke Britten en deze werden verzameld om in hun huizen mee te pronken.

In het boek wordt er bij ieder landhuis kort iets over de geschiedenis van het huis en zijn bewoners verteld. Daarnaast wordt ook informatie gegeven over hoe en wanneer het huis en de schilderijen bezit werden van de National Trust. Deze Liefddadigheidstrust werd in 1895 opgericht en ontving sindsdien vele schenkingen, maar koopt ook zelf tot op de dag van vandaag schilderijen terug, om deze te herenigen met de huizen waar zij eens hingen. Bij ieder schilderij wordt uitgebreid verteld over het schilderij zelf, de schilder en de bezitsgeschiedenis.

Wat het boek voor AiN volgers extra aantrekkelijk maakt, zijn de adellijke familieverhalen in combinatie met een staalkaart van Britse adellijke landhuizen. Ook dit keer is het boek, geheel in de Waanders traditie, fraai vormgegeven en rijk geïllustreerd.

Link naar meer informatie en bestelmogelijkheid https://www.waandersdekunst.nl/hollandse-meesters-uit-national-trust-houses.html