Veilingnieuws

a34
Afb. Studietekeningen van H.W.E. Schimmelpenninck.

De studietekeningen van H.W.E. Schimmelpenninck: op 9 februari wordt er bij het Veilinghuis Onder de Boompjes een kavel geveild met zes studietekeningen van H.W.E. Schimmelpenninck. Volgens de catalogus betreft dit jonkvrouwe Henriette Wilhelmine Elisabeth van der Wyck (1888-1945). De moeder van de freule was een gravin Schimmelpenninck en mogelijkerwijs koos zij als dochter de familienaam van haar moeder als kunstenaarsnaam.

Link naar de veilingpagina: www.onderdeboompjes.nl

Overleden M.C. Sickinghe née van Eeghen

a33

Marguerite Cornélie Sickinghe née van Eeghen, douairière jonkheer mr. Feyo Onno Joost Sickinghe, Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, geboren Amsterdam 12 november 1928, overleden Blaricum 8 januari 2016 – mater familias en grande dame, die het als haar taak en opdracht zag om er in haar leven voor anderen te zijn.

In Memoriam
Marguerite Cornélie van Eeghen werd geboren op 12 november 1928 te Amsterdam. Aanvankelijk had zij alleen de voornaam Marguerite, maar in 1933, toen zij zij vier jaar oud was, werd de naam Cornélie toegevoegd, als vernoeming naar haar grootmoeder Cornelia Suzanna Johanna Wilhelmina Boreel née jonkvrouwe Prins. Haar vader, Henri Louis van Eeghen, was een telg uit een geslacht dat is terug te vinden in het blauwe boekje van het Nederland’s Patriciaat en dat teruggaat tot in de 16e eeuw in Vlaanderen. In 1662 vestigde een voorvader zich als koopman in Amsterdam en stichtte hier een handelshuis dat nog steeds bestaat en tot de oudste nog bestaande in Nederland gerekend mag worden. Haar moeder, jonkvrouwe Catharina Margaretha Boreel, stamde uit een geslacht dat zijn oorsprong in Italië vond en zich begin 15e eeuw in Vlaanderen vestigde. In de 16e eeuw kwam de familie naar Nederland en kwam tot groot aanzien in Amsterdam. In 1645 ontving een voorvader van Koning Charles I het erfelijke niet-adellijke predicaat van Baronet met de aanspreektitel ‘Sir’ en in 1821 volgde een verheffing in de Nederlandse adel met het predicaat van jonkheer. Onder haar voorouders in de vrouwelijke lijn zijn vele namen van bekende Amsterdamse regentengeslachten te vinden, zoals Dedel, Trip, Munter en Van Loon, maar ook de bekende staatsman mr. Rutger Jan Schimmelpenninck – ook wel de eerste president van Nederland genoemd – was een voorvader van haar.

Zij groeide de eerste jaren op in Amsterdam aan de Honthorststraat nr. 22 op de hoek van het Museumplein in een groot herenhuis, dat in historiserende neo-classicistische stijl gebouwd was. Zij was het vijfde kind in het gezin met vier oudere broers en deze vormden haar. “Door hen werd zij behandeld als een broer. Niet piepen als je verliest, knokken voor je plek, winnen”, zei haar jongste zoon hierover. Enkele jaren na haar werd er nog een zusje geboren, waarmee zij zich nauw verbonden voelde, ook al verschilden zij zeer van elkaar. Later woonde het gezin op het Huis Noordhout op het familielandgoed van de Van Eeghens in Driebergen, dat sinds het midden van de 19e eeuw in familiebezit was. Haar vader was firmant in het familiebedrijf Van Eeghen & Co en was daarnaast onder meer lid van de Bankraad, president-commissaris van de Stoomvaart-Mij. Nederland en commissaris bij vele andere bedrijven. In haar jeugdjaren maakten niet alleen de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog grote indruk, maar ook het afbranden van hun huis en het verlies van vrijwel alles.

Na haar middelbare schoolopleiding voltooid te hebben, behaalde zij in 1950 het diploma HBO maatschappelijk werk CICSA Academie voor Sociale Beroepen. Voordien ging zij samen met Majoor Bosshardt van het Leger des Heils op stap over de grachten: “De mens werd wederom gebrand op haar netvlies”, aldus haar jongste zoon. Twee jaar later op 6 september huwde zij in Driebergen jonkheer mr. Feyo Onno Joost Sickinghe. Hij was een telg uit een oud-adellijk Groninger geslacht van bestuurders, waarvan de stamvader Lubbert Sickinghe in 1354 als burgemeester van Groningen genoemd werd. In 1814 werd een voorvader benoemd in de Ridderschap van Groningen en sindsdien voerden hij en zijn nakomelingen het predicaat van jonkheer/jonkvrouwe. Na hun huwelijk vestigden zij zich in Driebergen en hier werden twee dochters en een zoon geboren. Vervolgens woonden zij in Hengelo, waar nog een zoon werd geboren. Uiteindelijk gingen zij in Naarden wonen op het door hen zo geliefde huis ‘t Haspel. Hier werden zij door grote tegenslag getroffen, toen in 1996 de bliksem insloeg en het huis afbrandde en vele persoonlijke, maar ook historische familiebezittingen verloren gingen. Haar echtgenoot had rechten gestudeerd in Utrecht en was aanvankelijk advocaat en procureur, maar in de jaren die volgden, had hij een indrukwekkende carrière in het bedrijfsleven en werd uiteindelijk voorzitter van de raad van bestuur van de Ver. Machinefabrieken Stork en commissaris bij vele bedrijven en instellingen. De maatschappelijke carrière van haar was niet minder indrukwekkend en hier volgt een opsomming:

1965-1969: ouderling Hervormde gemeente Hengelo 1965-1969: bestuurslid Verpleegtehuis Dr. P.C. Borsstichting, Hengelo

1954-1970: Young Woman Christian Association, YMCA, Utrecht

1954: bestuurslid Jonge Vrouwen Gilde

1956: bestuurslid Christen Jonge Vrouwen Federatie

1958: penningmeester: Christen Jonge Vrouwen Federatie

1970: voorzitter lustrumcommissie Christen Jonge Vrouwen Federatie

1969-1982: ouderling Hervormde gemeente Naarden

1969-1997: bestuurslid Stichting Patiëntenzorg Nederlands Kanker-Instituut, sinds 1987 voorzitter en sinds 1998 erelid

1970-1978: Scholengemeenschap Willem de Zwijger College te Bussum, bestuurslid, president van het curatorium

1971-1979: vice-voorzitter Raad van Kerken Naarden-Bussum

1978-1984: raadslid gemeente Naarden

1980-1985: bestuurslid namens de Hervormde Stichting voor Algemeen Maatschappelijk Werk bij de Federatie Maatschappelijke Dienstverlening in het Gooi en de Noordelijke Vechtstreek

1983-1996: voorzitter College van Notabelen Hervormde Gemeente Naarden

1984-1997: sinds 1984 lid en sinds 1990 voorzitter Raad van Toezicht Ziekenhuis “Gooi-Noord”, Blaricum, sinds 1985 voorzitter van de bouwcommissie van de bouw van een nieuw ziekenhuis, sinds 1987 lid van de stuurgroep Medisch Kleuter Dagverblijf Gooi en Vechtstreek i.o. en sinds 1990 voorzitter van de Raad van Toezicht

1985-1992: voorzitter Stichting Kinderoncologische Kampen

1987: voorzitter Stichting Gasthuis Nederlands Kanker-instituut, Amsterdam

1990-1999: lid van de Adviescommissie van de staatssecretaris van Justitie voor Vreemdelingenzaken

1990: voorzitter Stichting Het Najjar Fonds

1994-1999: voorzitter Stichting Muziekfestival Naarden.

Daarnaast bleef zij als aandeelhoudster nauw betrokken bij de familieonderneming Van Eeghen & Co. Na het overlijden van haar broers was zij de oudste van haar generatie en hoedster van de drieëneenhalve eeuw oude familiewaarden, die zij omschreef als: eigenzinnig, hardwerkend en sociaal. Hierbij liet zij zich leiden door wat haar vader altijd zei: “Je moet niet dénken, maar nádenken.” Met haar charme en overredingskracht zette zij zich onvermoeibaar in voor velen en zelfs bij diners konden haar tafelheren rekenen op een vraag voor een bijdrage voor een project, waarvan zij vond dat deze absoluut noodzakelijk was. En of het nu geld was, een voedingspomp voor een patiënt of een permanente bungalow voor enkele dagen gratis vakantie voor kankerpatiënten en hun familie bij Centerparcs, zij stapte op mensen af en regelde het. Een krantenartikel kopte daarom ooit eens: ‘Naast Sickinghe zitten kost geld.’

Haar betrokkenheid bij ‘haar’ Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis was groot. Als kind kwam zij hier al met haar moeder mee en waste kopjes af en uiteindelijk werd zij voorzitter van de Stichting Patiëntenzorg, waarvan de voorloper door haar moeder was opgericht, maar ook toen zij daarmee stopte, bleef zij nog lang als vrijwilliger met een karretje als rijdende winkel bij de patiënten langs gaan. Niet altijd was dat even makkelijk, want het leed van kankerpatiënten trok zij zich aan: “… ik moet na al die jaren nog steeds ademhalen voor ik een kamer in ga (…). Je wilt niets laten merken, om die persoon niet te kwetsen, maar je gaat er niet zomaar aan voorbij.” Zij kende iedereen: van de receptiemedewerker tot de bestuurskamer en zij droeg in grote mate bij aan de sfeer en waarden die het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis uniek maken: betrokken, warm en veilig.

Sommigen vergeleken haar wel met Margaret Thatcher: kordaat, doortastend, helder in wat zij wilde, overzicht houdend met oog voor het individu. Net als Thatcher had zij altijd een handtas bij zich, die als symbool van non-verbale onverzettelijkheid ingezet kon worden en zoals iemand eens zei: “Met een elegante zwaai werd de handtas stevig op tafel gezet. We konden naar huis.”

Vanwege haar vele verdiensten behaagde het H.M. de Koningin om haar in 1991 tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau te benoemen.

Op 8 juni 2006 kwam haar echtgenoot, die zij op handen droeg, te overlijden en het gemis was groot, maar zij hervatte haar leven met grote moed. Op 8 januari 2016 kwam zij zelf in Blaricum te overlijden na een periode van kwetsbaarheid en afhankelijkheid en na een val. Voordien nam zij via de telefoon afscheid van al haar kleinkinderen en daarna van haar kinderen, die haar omringden: “Intens dankbaar voor alles wat zij heeft betekend en aan ons heeft meegegeven, in een voltooid leven waar de ander op de eerste plaats stond, hebben wij op unieke wijze afscheid genomen van onze energieke en lieve Mammie, Moeder, Omi en Moena Marguerite Cornélie Sickinghe-van Eeghen, weduwe van Jonkheer Feijo Onno Joost Sickinghe, Ridder in de Orde van Oranje-Nassau”. Zij werd zevenentachtig jaar en wordt diep betreurd door haar dochters, zoons, schoonzoons, schoondochters, dertien kleinkinderen en verdere familieleden.

De dienst van herdenking en dankzegging werd gehouden op zaterdag 16 januari in de Grote Kerk van Naarden-Vesting, een kerk die een grote rol speelde in haar leven en dat van haar gezin. Hier spraken velen vol warme woorden over haar vele verdiensten, waaronder haar trotse kleinkinderen, die het als hun taak zien op hun beurt haar waarden door te geven. Net als bij de afscheidsdienst van haar echtgenoot werd ‘Wat de toekomst brenge moge’ gezongen, omdat zij deze oude betekenisvolle woorden zo mooi vond en aan het einde van de dienst weerklonk het ‘A Toi la Gloire’. De teraardebestelling vond in besloten kring plaats in het familiegraf op begraafplaats Oostergaarde in Harderwijk, waar zij herenigd werd met haar echtgenoot.

Gebruikte bron o.a. voor afbeelding en informatie: Jhr.mr. F.O.J. Sickinghe, Liefde en leed gedurende zeven eeuwen in Groningen en de Ommelanden en daarbuiten. Het Groninger geslacht Sickinghe (Naarden, 1999).

Veilingnieuws: miniatuurportret, gouden horloge, geboortebeker en servies van de jonkheren en baronnen Röell

a30

Op zondag 7 februari worden bij het Veilinghuis Peerdeman in Utrecht vier kavels geveild die uit de adellijke familie Röell afkomstig zijn. Het betreft de volgende items:

een miniatuurportret van mr. Willem Frederik baron Röell (1768-1835) (aquarel op ivoor, geschilderd door Jan Hendrick Neuman, richtprijs 300-500 euro). Hij werd in 1817 ingelijfd in de Nederlandse adel en in 1817 werd hem de titel van baron verleend. Hij was onder meer in de jaren 1814-1817 minister van Buitenlandse Zaken en werd daarna Minister van Staat. Hij was gehuwd met Sara Johanna Hop

een gouden horloge van jonkheer Herman Hendrik Röell (1866-1884) (Vacheron & Constantin Geneve, richtprijs 700-900 euro): “Heden overleed onze geliefde oudste Zoon, HERMAN HENDRIK in den ouderdom van 18 jaren. [jonkheer] W.Röell, J.I. Röell, geb. [jonkvrouwe] Dedel. Amsterdam, 21 juni 1884. Eenige kennisgeving.”

een zilveren geboortebeker van Willem baron Röell (1897-1971) (met gegraveerd monogram WF, richtprijs 40-60 euro). Hij was eerst advocaat en procureur en werd uiteindelijk rechter-plv. van de arrondissementsrechtbank te Utrecht. Hij was gehuwd met Anna Clara Electa Walburga barones van Harinxma thoe Slooten

een 70-delig Chinees porselein serviesgedeelte ( richtprijs 2500-3500 euro)

Link naar de webpagina: www.veilinghuispeerdeman.nl

Nieuwe Kasteel d’Ursel Magazine gratis online

a27
Afb. Het kasteel d’Ursel en Charles Joseph hertog d’Ursel (1777-1860) met zijn echtgenote Luisa Vittoria Maria Giuseppina Francesca hertogin d’Ursel née Ferrero-Fieschi, Principessa di Masserano (1779-1847).

Het verhaal van Charles Joseph hertog d’Ursel (1777-1860): de Nederlandse adel kent op dit moment geen leden met de titel van hertog, maar onder Koning Willem I werden er drie hertogen (De Beaufort-Spontin, De Looz-Corswarem en D’Ursel) in de Nederlandse adel opgenomen, waarvan de nakomelingen formeel nog steeds tot de Nederlandse adel behoren, ook al kozen zij in 1830 voor de Belgische nationaliteit en gingen zij daardoor deel uitmaken van de Belgische adel.

Eén van deze drie was Charles Joseph hertog d’Ursul. Hij werd eerste grootmeester van Koningin Wilhelmina, de echtgenote van Koning Willem I. In 1830 stond hij bekend als zeer orangistisch en zijn huis in Brussel werd door het opstandige volk geplunderd. Hij zocht zijn toevlucht in zijn zomerverblijf kasteel d’Ursel in Hingene en schreef: “Ik heb een grote weerzin om opnieuw voet in Brussel te zetten en ik ben niet meer in het huis geweest sinds ik er verjaagd ben door een bende plunderaars.”Uiteindelijk koos hij in 1830 voor de Belgische nationaliteit en zijn nakomelingen leven nog steeds voort in de Belgische adel. In 1973 werd het kasteel verkocht door de 8e hertog. Sinds 1994 is het kasteel in het bezit van de provincie, die het restaureerde en er sindsdien vele activiteiten organiseert. In 2009 keerde een belangrijk deel van de oorspronkelijk inrichting terug dankzij een bruikleen van de 10e hertog: duizenden boeken, portretten, meubelen en siervoorwerpen.

Een bezoek aan het kasteel is zonder meer een aanrader!

Link naar het magazine online met daarin het hele verhaal van de hertog d’Ursel: http://www.kasteeldursel.be/content/dam/kasteeldursel/def%20KdUmagazine%2045_b.pdf

Link naar de website van kasteel d’Ursel: www.kasteeldursel.be

Het verhaal bij het portret van Ottelina Cornelia Cort van der Linden née jonkvrouwe Sickinghe (1895-1975) – het leven van een burgemeestersvrouw

a28
Afb. Vorig jaar werd dit portret op een veiling aangeboden, dat bij één van de volgers van AiN een goed onderkomen vond. Hier het bijbehorende levensverhaal.

AFKOMST
Jonkvrouwe Ottelina Cornelia Sickinghe werd geboren op 13 augustus 1895 te Arnhem. Haar vader, jonkheer Agathon Gerard Sickinghe, was een telg uit een oud-adellijk Groninger geslacht van bestuurders, waarvan de stamvader Lubbert Sickinghe in 1354 als burgemeester van Groningen genoemd werd. In 1814 werd een voorvader benoemd in de Ridderschap van Groningen en sindsdien voerden hij en zijn nakomelingen het predicaat van jonkheer/jonkvrouwe. Haar moeder, Elisabeth Jacoba Lucia Margaretha Geisweit van der Netten, stamde uit de Haagse familie Van der Netten. Door het huwelijk in 1757 van haar voorvader mr. Justinus Cornelis van der Netten (1729-1780), die onder meer advocaat voor het Hof van Holland was, met Antonia Geisweit, telg uit een geslacht van burgemeesters en predikanten, werd deze naam toegevoegd aan de familienaam.

JEUGDJAREN
Zij groeide de eerste jaren op in Arnhem aan de Schoolstraat nr. 77 met een zusje dat drie jaar ouder was en vijf jaar na haar geboorte werd het gezin nog uitgebreid met een broertje. Haar vader was luitenant-adjudant bij het Korps Rijdende Artillerie en na zijn benoeming tot ordonnans-officier van H.M. Koningin Wilhelmina verhuisde het gezin naar ’s-Gravenhage, waar het aan de Rijnstraat nr. 34 ging wonen. Vervolgens woonde het gezin enkele jaren in Utrecht vanwege terugkeer bij de ‘Rijers’, tot haar vader in 1912 benoemd werd tot kapitein-adjudant van H.M. Koningin Wilhelmina en het gezin aan de Groot Hertoginnelaan nr. 22 in ’s-Gravenhage ging wonen. Haar vader had in de jaren die volgden een glansrijke hofcarrière en werd achtereenvolgens kamerheer, eerste kamerheer-ceremoniemeester, eerste kamerheer, waarnemend hofmaarschalk en eerste kamerheer-honorair. Als militair bereikte hij de rang van luitenant-generaal titulair. Het familieboek zegt over hem: “Economisch gezien had Vader voor zijn positie, vooral in de latere jaren, eigenlijk te weinig fortuin, om met grote allure zijn rol te kunnen spelen. Vooral na de Tweede Wereldoorlog heeft hem dit veel parten gespeeld.”

HUWELIJK
Op 18 april 1918 huwde jonkvrouwe Ottelina Cornelia Sickinghe op tweeëntwintigjarige leeftijd mr. Willem Pieter Jacob Henri Cort van der Linden, die vierentwintig jaar oud was. Hij werd geboren op 19 augustus 1893 te Hilversum als zoon van mr. Pieter Wilhelm Adriaan van der Linden en Johanna Cornelia de Koning. Zijn vader was de bekende staatsman die in de jaren 1913-1918 minister-president was en vanaf 1915 Minister van Staat. De dubbele achternaam was ontstaan door het toevoegen van de familienaam van een overgrootmoeder Cort. In 1921 werd hem het Ridder-Grootkruis in de Pius Orde verleend, waaraan erfelijk adeldom was verbonden, zodat hij en zijn nakomelingen zich als ‘nobile’ tot de pauselijke adel konden rekenen.

Haar echtgenoot had rechten gestudeerd in Leiden en na zijn huwelijk vestigde hij zich als advocaat in ’s-Gravenhage. Hier woonden zij aan de Delistraat nr. 38. Op 12 maart 1919 werd hier hun zoon Pieter Wilhelm Adriaan Gijsbertus geboren, gevolgd door hun dochter Elisabeth Jacoba Lucia Margaretha op 28 juli 1921. In 1926 verhuisde het gezin naar de Groenhovenstraat nr. 8. Haar echtgenoot was inmiddels algemeen secretaris van het Verbond van Nederlandse Werkgevers geworden tot hij in 1934 benoemd werd tot burgemeester van Groningen en het gezin hierheen verhuisde. Voor het zover was, werd er eerst afscheid genomen van haar echtgenoot als algemeen secretaris in Hotel Twee Steden in ‘s-Gravenhage, waarbij zij grote manden met bloemen kreeg overhandigd.

BURGEMEESTERSVROUW IN GRONINGEN
Op maandag 1 oktober 1934 vond de installatie plaats van haar echtgenoot in de buitengewone vergadering van de gemeente Groningen, waarbij de gehele raad voltallig aanwezig was en alleen de beide communisten ontbraken. In de krant viel over zijn toespraak te lezen: “De nieuwe burgemeester wees er op, dat hij bij het aanvaarden van deze belangrijke functie afscheid heeft genomen van een betrekking, die hij meer dan 16 jaren vervulde. In die betrekking is hij zeer nauw betrokken geweest in de phaenomenale ontwikkeling der sociale wetgeving, die de jaren na den oorlog kenmerkte, zoodat ook zijn adviezen zich over een breeden strook van het maatschappelijke leven uitstrekten. De nood der tijden bracht ook hierin verandering; de ontwikkeling der sociale wetgeving maakte plaats voor den economischen strijd van ons geheele land voor bloot zelfbehoud. Tegelijk met deze verandering in den aard van zijn werk verlevendigde het rijpen der jaren de zucht naar een meer zelfstandigen en verantwoordelijken werkkring. Het was een reden van groote blijdschap voor den heer Cort van der Linden, dat hem niet alleen het burgemeestersambt in een der grootste steden van ons land werd aangeboden, maar nog wel dat van Groningen. Want traditie en eigen ervaring maakten reeds vroeg, dat deze stad hem bijzonder lief is. De jaren, die zijn ouders als ingezetenen van Groningen hebben doorgebracht, zijn de gelukkigste geweest van hun leven. Ook in het hart van zijn schoonouders neemt Groningen een groote plaats in, daar zijn vrouw uit een oud Groningsch geslacht stamt, waarvan niet minder dan elf leden achtereenvolgens de plaats innamen, die de nieuwe burgemeester thans inneemt.” Als burgemeestersvrouw wachtte haar een druk bestaan, want nadat het gezin een statig pand aan het Zuiderpark nr. 2 had betrokken, werd er gedurende twee middagen een receptie gegeven voor de burgers van Groningen: “Receptie bij den burgemeester van Groningen – Ons wordt verzocht te berichten, dat de burgemeester van Groningen en mevrouw Cort van der Linden-Sickinghe te hunnen woonhuize Zuiderpark 2, zullen ontvangen op Zondag 2 en op Zondag 9 December des namiddags van 3 tot 6 uur.” In de jaren daarna had zij haar vaste ontvangdag op de eerste en derde donderdag van de maand, waarbij zij vanaf ’s middags half vier de Groningse dames ontving. Dit gebruik werd zelfs na de Tweede Wereldoorlog nog jaren voortgezet. Ook op andere gebieden was zij actief als burgemeestersvrouw. Zo werd zij:

  • ere-presidente afdelingen Groningen van de Vereniging Tesselschade
  • ere-presidente van het comité van Groningse vrouwen voor het aanbieden van een huwelijksgeschenk ter gelegenheid van het huwelijk van H.K.H. Prinses Juliana
  • ere-presidente Comité ‘Blijde gebeurtenis in het Prinselijk Gezin’
  • ere-presidente van de Groninger Vrijwillige Vrouwen Hulp
  • ere-presidente van het comité voor de propaganda van de verkoop van zomerpostzegels
  • ere-presidente Nederlandse Bond voor Ziekenverpleging afdeling Groningen
  • ere-voorzitster Commissie voor Vrouwelijke Hulpverlening voor de stad Groningen
  • beschermvrouwe van de Brunhilde-dames
  • bestuurslid van de Industrie-school voor Meisjes
  • lid commissie financiën van het Algemeen Comité voor de stad Groningen ter voorbereiding van de huldiging van het a.s. huwelijk van H.K.H. Prinses Juliana en Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld
  • lid van een comité dat tot doel had ‘om taak en werkwijze der zending uiteen te doen zetten door daartoe alleszins bevoegde sprekers’ over de zending in Indië

Via een ingezonden brief deed zij aanbeveling voor de collecte ten bate van vakantieoorden voor de huisvrouwen van alle gezindten namens de Commissie voor Huishoudelijke Voorlichting en Gezinszorg: “Wie onzer beseft niet hoezeer ook de huisvrouw juist in de moeilijke tijdsomstandigheden , waarin wij leven, vacantie nodig heeft, om geestelijk en lichamelijk weer voor de verzorging van haar gezin te kunnen staan. Laten we hopen, dat er dit jaar vele collectanten zullen zijn, opdat zeer vele huisvrouwen in staat zullen worden gesteld om elk in eigen geestelijken sfeer, nieuwe krachten op te doen voor haar dagelijkse taak. Geeft allen met milden hand. O.C. CORT VAN DER LINDEN-SICKINGHE.”

Speciale aandacht had zij voor het Koninklijk Huis. Zo werd zij in 1936 lid van de commissie financiën van het Algemeen Comité voor de stad Groningen ter voorbereiding van de huldiging van het a.s. huwelijk van H.K.H. Prinses Juliana en Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld en werd zij in hetzelfde jaar ter gelegenheid van het huwelijk van H.K.H. Prinses Juliana ere-presidente van het comité van Groningse vrouwen voor het aanbieden van een huwelijksgeschenk. Besloten werd “… dat de Groningsche vrouwen zullen aanbieden linnen tafelgoed in meer uitgebreiden vorm, als onderdeel van het groote nationale geschenk. Het zal versierd worden met kant, gemaakt door de kantschool ‘Het Molenwiekje’ te Hoorn. Kant en linnen zullen tot één geheel vervaardigd worden op de Industriescholen alhier.” De keuze voor deze industriescholen lag voor de hand, want zij zat zelf in het bestuur hiervan. In 1937 richtte haar echtgenoot het Comité ‘Blijde gebeurtenis in het Prinselijk Gezin’ op, die tot doel had baby-uitzetjes te verstrekken aan moeders die in dezelfde periode in gelijke omstandigheden verkeerden en voor uitdeling in aanmerking kwamen. Zij werd hiervan vervolgens ere-presidente. Toen Prins Bernhard in 1938 het beschermheerschap van de Provinciale Vereniging ter Bevordering van de Paardenfokkerij in Groningen op zich nam en naar Groningen kwam, was zij hierbij aanwezig en kreeg bij deze gelegenheid als burgemeestersvrouw bloemen overhandigd. Ter gelegenheid van de geboorte van een vorstelijk kind werd zij in 1945 lid van een comité en namens dit comité schreef zij in de krant: “Onze groote vreugde over de komende geboorte van het vorstelijk kind, willen wij toonen door vele moeders van een gelijktijdig geboren kindje, met wat babygoed gelukkig te maken. Aan allen die hieraan reeds hebben medegewerkt en ons comité met een mooi pakje hebben verblijd, willen wij onze hartelijken dank betuigen. Tot 28 December blijft de gelegenheid om Uwe gave te zenden aan het Bureau van de U.V.V. , Roode Weeshuisstraat 11, tusschen 2 en 5 uur. Op Zaterdagmiddag 21 December is er gelegenheid de binnengekomen kleertjes te bezichtigen, waarna alles naar Soestdijk zal worden opgezonden.”

Bij vele gelegenheden gaf zij als burgemeestersvrouw acte de présence, zoals bij de opening van een tentoonstelling van de Kantklosvereniging ‘Het Molenwiekje’, Ook was zij met haar echtgenoot jarenlang te gast bij de Nijjoarsveziede van de Vereniging Grönneger Sproak, waar zij in 1938 in het bijzonder hartelijk welkom werden geheten, “… doch zij wisten reeds uit ondervinding hoe gezellig de Nijjoarsviziedes zijn.” Daarnaast waren er premières zoals de gala-première van de opera-opvoering van ‘Saskia’ door de Groningse studenten in 1939, maar ook de Vereeniging tot Oprichting en Instandhouding eener Openbare Leeszaal en Boekerij in Groningen mocht op haar warme belangstelling rekenen, want in 1937 deed zij hieraan een schenking.

OORLOGSJAREN
In 1940, een maand nadat Nederland bezet was, was zij aanwezig bij de officiële plechtigheid van de oprichting van de ‘Gronob’, de Groninger Noodbeurs der vertegenwoordigers van Handel en Industrie, waarover in kranten geschreven werd: “Het is prettig te constateeren, dat ondanks de moeilijke omstandigheden, de Groningers niet bij de pakken neerzitten, maar met frisschen moed trachten het hoofd boven water te houden.” De oorlog had grote gevolgen voor hun leven, want op 3 september 1942 werd haar echtgenoot als burgemeester ontslagen. Samen met haar echtgenoot dook zij uiteindelijk onder op een boerderij in Maarn. In de Hongerwinter van 1944/45 kwam zij op 2 maart helemaal per fiets hier vandaan naar ’s-Gravenhage om haar ouders te bezoeken, die hun huis hadden moeten verlaten en ingekwartierd zaten in een pension. Haar broer, jonkheer ir. Pieter Onno Rembt Sickinghe, gaf haar het advies de volgende morgen heel vroeg te vertrekken in verband met bombardementen, die vaak in de ochtenduren waren. Op 3 maart fietste zij ’s ochtends om 8.00 uur door het Bezuidenhout-Kwartier. Een uur later begon het verwoestende bombardement, die deze hele wijk verwoestte. Als door een wonder ontsnapte zij hieraan

Op 5 mei 1945 werd haar echtgenoot opnieuw benoemd tot burgemeester van Groningen en hervatte het burgemeestersleven weer. Even was er nog sprake van dat hij burgemeester van ’s-Gravenhage zou worden, maar Koningin Wilhelmina hield deze benoeming tegen, omdat zij hierover niet geïnformeerd was en dit uit de krant had moeten vernemen. Terwijl haar echtgenoot zich vooral richtte op de wederopbouwplannen van de verwoeste stadskern van Groningen had zij opnieuw haar ontvangmiddagen op de eerste en derde donderdag van de maand. Zij was weer representatief aanwezig bij de opening van tentoonstellingen, zoals die van Italiaanse tekeningen uit de 14e tot de 17e eeuw, of bij het jubileum van de koorleider van het kerkelijk zangkoor van de Ned. Hervormde Gemeente in Groningen, waarbij zij de receptie bezocht, of zij bezocht een lezing van de Nederlandse Bond van Vrouwen werkzaam in Bedrijf en Beroep van de afdeling Groningen, waar een majoor van het Leger des Heils sprak over maatschappelijk werk. In deze jaren waren er ook heuglijke familiegebeurtenissen. Zo huwde hun dochter in 1948 Constantijn Leopold van Panthaleon baron van Eck en hun zoon huwde in 1950 een meisje Thomassen. In 1949 werd hun eerste kleinkind geboren, dat naar haar werd vernoemd: Otteline Cornelia van Panthaleon barones van Eck.

JAREN IN ’S-GRAVENHAGE EN WASSENAAR
Per 1 juni 1951 kwam er aan hun jaren in Groningen een einde, omdat haar echtgenoot benoemd werd tot lid van de Raad van State. Bij zijn afscheid werd hem veel lof toegezwaaid, terwijl hij bij zijn aantreden juist met reserves werd tegemoet getreden, vanwege zijn liberale achtergrond. Zij verhuisden toen naar ’s-Gravenhage, waar zij aan de Alexander Gogelweg nr. 41 gingen wonen.

Op 26 november 1953 werden zij door groot verdriet getroffen door het overlijden van hun dochter op tweeëndertigjarige leeftijd: “Tot onze droefheid is heden van ons heengegaan onze innig geliefde Dochter en Zuster Vrouwe ELISABETH JACOBA LUCIA MARGARETHA VAN PANTHALEON baronesse VAN ECK-Cort van der Linden.” Zij liet een echtgenoot achter en twee kinderen: de vierjarige Ottelientje en de tweejarige Reinier.

Uiteindelijk verhuisden zij naar Wassenaar naar de Berkenlaan nr. 3 en hier kwam haar echtgenoot op 18 maart 1969 op vierenzeventigjarige leeftijd te overlijden: “Heden nam God tot Zich mijn dierbare man, onze lieve vader, behuwdvader en grootvader Mr. Pieter Willem Jacob Henri Cort van der Linden oud-lid van de Raad van State, oud-burgemeester van Groningen, commandeur in de Orde van Oranje-Nassau, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.” De begrafenis vond in stilte plaats. In de Groninger gemeenteraad werd haar echtgenoot herdacht “… als een man van grote bestuurlijke kwaliteiten en als een gaaf Nederlander, wiens onverzettelijke houding tijdens de oorlogsjaren grote bewondering afdwong. ‘De heer Cort van der Linden heeft zijn burgemeesterschap van Groningen in de jaren 1934-1951 met grote voldoening vervuld, zo is mij herhaaldelijk uit persoonlijke contacten gebleken’, aldus de heer Berger’”, de toenmalige burgemeester van Groningen. Hierna nam de raad een ogenblik stilte in acht.

OVERLIJDEN
Zes jaar later kwam zij op tachtigjarige leeftijd te overlijden, nadat zij de laatste jaren aan de Schout bij Nacht Doormanlaan nr. 23 gewoond had: “Op 28 november ging, tot onze diepe droefheid, van ons heen onze dierbare Moeder, Schoonmoeder en Grootmoeder Jonkvrouwe OTTELINA CORNELIA SICKINGHE weduwe van Mr. P.W.J.H. CORT VAN DER LINDEN.” Haar begrafenis vond op haar eigen verzoek in besloten familiekring plaats op de Nederlands Hervormde Begraafplaats in Wassenaar.

Bart de Liefde (VVD) verlaat Tweede Kamer

a26

Barthold Charles de Liefde is de zoon van drs. Jan Joost de Liefde, oud-directeur Shell Int. Petroleum Comp., en Anna Isabelle de Liefde née barones van Dedem. Hij zat sinds 26 oktober 2010 in de Tweede Kamer en hield zich onder meer bezig met ict, consumentenbeleid, mededinging en tuinbouw. Hij maakt geen gebruik van de wachtgeldregeling, maar wordt directeur publieksvoorlichting bij taxibedrijf Uber. Via zijn moeder is hij sinds 2014 met twee aandelen één van de veertig aandeelhouders in Landgoed Den Aalshorst BV in Dalfsen. Zijn betovergrootvader, mr. Godert Willem baron van Dedem, bracht dit bezit hierin onder en alle aandeelhouders zijn nakomelingen van hem.

‘Is Kajsa Ollongren straks minister-president?’

a25
Afb. Foto met dank aan de gemeente Amsterdam.

Vandaag staat er online op de webpagina van de NRC een uitgebreid artikel over jonkvrouwe Kajsa Ollongren, die gezien wordt ‘als ministermateriaal’ bij de volgende verkiezingen. Kajsa Ollongren is locoburgemeester en wethouder van Amsterdam en vorig jaar werd zij in De Volkskrant al getipt als toekomstig minister van Economische Zaken. Het zou – wanneer de NRC gelijk krijgt – voor het eerst sinds 1940 zijn dat Nederland weer een adellijke minister-president zou krijgen. In dat jaar trad jonkheer mr. Dirk Jan de Geer (1870-1970) als voorzitter van de ministerraad af (de toenmalige benaming voor minister-president).

Zij studeerde geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, werkte op het ministerie van Economische Zaken waar zij plv. directeur-generaal werd en werd daarna uiteindelijk Secretaris-Generaal van Algemene Zaken, waardoor zij betrokken was bij het Koninklijk Huis en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Als hoogste ambtenaar van Nederland en belangrijkste ambtelijk adviseur van de Minister-President stond Kajsa Ollongren in 2011 en 2012 genoteerd als meest invloedrijke vrouw van Nederland. Afgelopen jaar stond zij op de 22e plaats, nadat zij wethouder cultuur & economische zaken voor D66 en locoburgemeester van Amsterdam was geworden.

De familie Ollongren is van oude Finse adel, die teruggaat tot in de 15e eeuw. Haar grootvader emigreerde in de jaren ’30 naar Ned.-Indië en verkreeg in 1933 de Nederlandse nationaliteit. Haar vader was hoogleraar informatica en astronomie en werd in 2002 ingelijfd in de Nederlandse adel met het predicaat van jonkheer. Kajsa Ollongren is gehuwd en heeft samen met haar echtgenote twee kinderen.

Link naar het artikel online: http://www.nrc.nl/next/2016/01/26/de-nieuwe-rutte-waarom-niet-1580952

Link naar haar foto en cv: https://www.amsterdam.nl/gemeente/college/individuele-paginas/kajsa-ollon-gren/

 

Laatste week ‘Van de Poll bij Van Loon’

a24

Nog t/m zondag 31 januari is deze tentoonstelling te zien in Museum Van Loon van de jonkheren Van Loon in Amsterdam met portretten uit de Van de Poll-Wolters-Quina Stichting van de jonkheren Van de Poll. De tentoonstelling biedt een mooi overzicht van Nederlandse portretkunst door de eeuwen heen. Bij de tentoonstelling is ook het boek ‘Van Bol tot Veth’ door Claire van den Donk en Rudi Ekkart verschenen met daarin een overzicht van alle familieportretten die in het bezit zijn van deze stichting. Het boek biedt uitgebreide kunsthistorische informatie over de portretten, informatie over de afgebeelde personen en het ontstaan en de groei van de verzameling. Alle portretten uit deze verzameling zijn ook in het boek afgebeeld.

Link naar meer informatie over de tentoonstelling: http://www.museumvanloon.nl/agenda/48

Link naar bestelmogelijkheid: http://www.primaverapers.nl/shop/index.php?main_page=product_info&products_id=302

 

Zaterdag 20 februari: openstelling kasteel Eerde in Ommen

a23
Afb. Links kasteel Eerde op een oude ansichtkaart en rechts Louis baron van Pallandt. Beide afb. in part. bezit.

Over een maand is er weer een gelegenheid om kasteel Eerde van binnen te bekijken. Kasteel Eerde was van 1708 tot in 1965 (met een korte onderbreking in de jaren 1924-1931) in het bezit van de baronnen Van Pallandt. De brug op de voorgrond werd gebouwd door het echtpaar Louis baron van Pallandt (1809-1885) en Justine Louise Sophie barones van Pallandt née barones van Heeckeren (1814-1862). Zij bracht een groot vermogen in, waarmee Eerde verbouwd kon worden. Na het overlijden van zijn echtgenote kreeg hij het vruchtgebruik van haar kapitaal en hertrouwde op 67-jarige leeftijd met de 30-jarige Zwitserse gezelschapsdame en woonde afwisselend in Zwitserland en ’s-Gravenhage.

Op de foto: kasteel Eerde in 1916 en Louis baron van Pallandt.

Link naar de pagina voor het aanmelden (er zijn nog maar 28 plaatsen beschikbaar): https://www.natuurmonumenten.nl/activiteiten/ontdek-kasteel-en-landgoed-eerde/2016-02-20t1400

Link naar de foto van kasteel Eerde: http://www.geheugenvannederland.nl/?/nl/items/RDMZ01:1000175500/&p=2&i=1&t=26&st=eerde&sc=%28eerde%29/&wst=eerde

 

Veilingopbrengst collectie Smidt van Gelder-barones Van Zuylen van Nijevelt: bijna 750.000 euro

a22

Op dinsdag 19 januari vond er bij Sotheby’s in Londen een grote veiling plaats onder de naam ‘Of Royal and Noble Descent’, waarbij o.a. de kostbare verzameling van mr. Hendrik Ernst Smidt van Gelder (1923-2011) en Margaretha Rhoda Smidt van Gelder née barones van Zuylen van Nijevelt (1925-1999) geveild werd.

De familie Smidt van Gelder is een patriciaatsfamilie die in het blauwe boekje van het Nederland’s Patriciaat is terug te vinden en de familie verwierf grote bekendheid door hun Koninklijke Papierfabriek Van Gelder Zonen N.V., waarvan de heer Smidt van Gelder jarenlang directeur was. Het echtpaar woonde in Aerdenhout en verzamelde zilver, porselein en antiek. Hun collectie zilver was zó groot, dat er een standaardwerk over Nederlands zilver over geschreven kon worden. Tien lotnummers bleven onverkocht, waaronder 8 zilveren kandelaars, die 39.000-66.000 euro moesten opbrengen. Het zilver (74 lotnummers) bracht in totaal ruim 600.000 euro op, het porselein (15 lotnummers) ruim 50.000 euro en meubelen (6 lotnummers) ruim 60.000 euro.

Op de fotocompilatie het echtpaar Smidt van Gelder-Van Zuylen van Nijevelt met het zilver met de hoogste opbrengst (een reukbal uit 1620, ruim 39.000 euro), het porselein met de hoogste opbrengst (een Chinese kan uit de Kangxi periode met een Nederlandse verguld-zilveren deksel uit circa 1665, ruim 16.000 euro) en het meubelstuk met de hoogste opbrengst (een guéridon tafeltje met ingelegd houtwerk uit circa 1765, ruim 23.000 euro).

Bron: www.sothebys.com