In gesprek met jonkheer dr. A. Jacob Six over zijn boek ‘De genen van de kunstverzamelaar’

Six, Jacob
Afb. 1. Jonkheer dr. A. Jacob Six voor de vitrinekast met in zijn handen een mes uit 1594 met een bijzonder verhaal.

Op 4 juni verschijnt het boek ‘De genen van de kunstverzamelaar. 500 jaar verzamelen.’, waarin de cardioloog jonkheer dr. A. Jacob Six vijftig verzamelingen uit zijn familie beschrijft. AiN sprak hem op zijn huis Sterrenburg over de totstandkoming van het boek en over het verzamelen in de familie Six, die zich hiermee echt onderscheidt van andere adellijke families.

Wie in de database van het Rijksmuseum op de naam Six zoekt, komt deze daar vaker tegen dan andere familienamen en de schenking door jonkvrouwe C.I. Six van 1589 items op kostuumgebied uit haar familie is één van de grootste op dit gebied. Tot de belangrijkste verzamelaars in de familie Six kan het echtpaar Six-Van Winter gerekend worden. “Die hadden een onmetelijk fortuin tot hun beschikking. Zij hebben heel veel schilderijen gekocht, maar dat niet als enige. Ze hebben ook verzamelingen Middeleeuwse handschriften, meubilair, steengoed etc. aangelegd. Mijn oudtante zei: ze kochten alles wat los en vast zat.”

Afb. 2. Jan Six (1618-1700) door Rembrandt van Rijn in 1654, coll. Six, Amsterdam
Afb. 2. Jan Six (1618-1700) door Rembrandt van Rijn in 1654, coll. Six, Amsterdam.

Opgroeien in de familie Six betekende opgroeien met kunst, zoals de verzameling die te zien is in het familiehuis aan de Amstel in Amsterdam: “Mijn grootvader woonde er en dan zaten we er gewoon thee te drinken tussen de Rembrandts. Er werd mondjesmaat wel wat verteld. We hebben daar ongeveer tweehonderd portretten en er was altijd wel een oom die aan zijn neefjes wilde uitleggen wie is wie, maar daar werd niet bij verteld wie de schilder is.”

Het bekendste schilderij in deze verzameling is Jan Six door Rembrandt: “Die Jan Six van Rembrandt is wel zo’n enorm eclatant portret, daar kun je echt niet omheen, die trekt alle aandacht. Dat hebben we allemaal wel echt zo gevoeld vroeger, maar wat leuker was natuurlijk, dat we bij al die schilderijen een attribuut hebben. Dan heb je een portret van een vrouw uit een voorbije eeuw en daar hebben we die kanten manchetten bij liggen.”

Als kind verzamelde hij autootjes en die heeft hij nog steeds. Hij noemt zichzelf geen fanatieke verzamelaar, maar is altijd op zoek naar familiestukken die met Six of Van Aerssen (Van Aerssen Beijeren van Voshol – red.) te maken hebben. Over één van zijn meest bijzondere aankopen vertelt hij: “Mijn moeder is een Van Aerssen; die familie had een fraaie collectie, mooie topschilders erbij. Die verzameling is na de oorlog door een broer van mijn grootvader verpatst. Toen was alles, alles zoek. Een aantal jaren geleden kwam een losse Honthorst boven drijven, die heb ik proberen te kopen, maar de onderhandelingen gingen niet goed, dus dat is mislukt, wég Honthorst. En toen kwam er ineens een stel Godfried Schalckens, die heb ik gekocht. Prachtige, prachtige schilderijen, werkelijk subliem.” Zij zijn nu tijdelijk geëxposeerd in het Dordrechts Museum.

Afb. 3 en 4. Cornelis van Aerssen (1646-1728) en Maria Pauw (1653-1733) door Godfried Schalcken, de portretten zijn t/m 26 juni te bewonderen in het Dordrechts Museum op de tentoonstelling ‘Schalcken, kunstenaar van het verleiden’
Afb. 3 en 4. Cornelis van Aerssen (1646-1728) en Maria Pauw (1653-1733) door Godfried Schalcken, de portretten zijn t/m 26 juni te bewonderen in het Dordrechts Museum op de tentoonstelling ‘Schalcken, kunstenaar van het verleiden’.

Op de vraag wat nu een favoriet voorwerp in zijn verzameling is, valt eerst een lange stilte, want hij vindt dit een moeilijke vraag. Hij neemt mij vervolgens mee naar een 18e eeuwse vitrinekast: “Daar ligt allerlei ouwe meuk, van alles door elkaar, zoals dat hoort in zo’n vitrine.” Hij laat een mes uit 1594 zien met houtsnijwerk en vertelt liefdevol welke tafereeltjes uit het verhaal over de Verloren Zoon er in uitgesneden zijn: “Hier wordt hij uit het bordeel geknuppeld” en “… hier komt hij uiteindelijk toch bij zijn vader terecht en wordt weer in de armen gesloten en hier zit hij aan het familiediner.” Hij kreeg het toen grootvader Six overleed. “Destijds heb ik echt lopen te mopperen, om het maar eens vriendelijk te zeggen, toen was ik nog maar zo’n jochie en wat moest ik nou met zo’n lelijk ding? Uiteindelijk heb ik er wel veel plezier in.” Hij vermoedt dat het een mes is geweest voor ceremonieel gebruik op de bestuurstafel in Amsterdam.

Het boek is hij begonnen als een inventaris van zijn spullen, zodat zijn neefjes en nichtjes zouden weten wat het is en waar het vandaan komt. Het werd uiteindelijk een overzicht van de vele collecties in de familie, waarvan een aantal nog steeds familiebezit is en andere zich in belangrijke musea bevinden. Ieder hoofdstuk gaat over een collectie, waarbij de collectioneur ook als persoon tot leven komt. Hierbij heeft hij de verhalen en anekdotes opgeschreven die hij in het verleden gehoord heeft. Het boek is hierdoor veel meer geworden dan een kunsthistorische beschrijving: “Die verzamelingen, dat is uiteindelijk het vehikel om het familieverhaal te vertellen.”

Afb. 5 en 6. Huis Sterrenburg: “Wij Sixen hebben wat met manen en sterren. Onze wapenspreuk luidt STELLA DUCE - de ster geleidt ons. Toen Sterrenburg te koop kwam, was voor mij het besluit snel genomen.”
Afb. 5 en 6. Huis Sterrenburg: “Wij Sixen hebben wat met manen en sterren. Onze wapenspreuk luidt STELLA DUCE – de ster geleidt ons. Toen Sterrenburg te koop kwam, was voor mij het besluit snel genomen.”

En of de verzamelaarstraditie zich in de familie voortzet? “Wel een beetje, maar vooral gewoon zorg voor wat er al is. Dat is wel de hoofdzaak. Er zijn nogal veel mensen die zich daarom bekommeren, maar er zijn er ook nog wel bij die af en toe kopen of verkopen.” Toen in het recente verleden de inboedel van Jagtlust geveild werd, is uiteindelijk zeker driekwart door de familie zelf teruggekocht en daarop is hij duidelijk trots. Toch zullen uiteindelijk ook spullen misschien een keer verkocht worden door familieleden die er niets mee hebben en daarover zegt hij relativerend: “Als een familieportret verkwanseld wordt, betekent het nog niet dat het in de shredder gaat. Het komt altijd wel weer bij iemand terecht, die een reden heeft om het te kopen.”

Gelukkig zijn de bedreigingen uit het recente verleden voor het familiebezit voorbij: “Er is echt een tijd geweest dat het niet mocht. Ik heb dat heel duidelijk meegemaakt in de jaren zestig en zeventig. Er werd  gezegd: ‘Daar kun je maar beter niet over praten, want anders komt Joop den Uyl en die pakt ons alles af.’ Graag letterlijk citeren zo. Zo was het, je moest het verbergen. Degenen die nog wat kapitaal hadden, pakten hun biezen en gingen in Zwitserland wonen. Allemaal angst voor Joop den Uyl. Letterlijk zo. Uiteindelijk is het allemaal nog niet zo slecht afgelopen.”

Tot slot zegt hij over wat het voor hem betekent om een Six te zijn: “Een soort verplichting om netjes te documenteren. Daar gaat het om. Alleen maar spullen bewaren, daar schiet je natuurlijk niks mee op. Je moet spullen bewaren met een briefje erbij: dit is zus of dit is zo.”  En dat heeft jonkheer dr. A. Jacob Six nu zeker gedaan met het schrijven van dit boek, waarmee tradities niet alleen opgeschreven zijn, maar ook zeker voortgezet zullen gaan worden door toekomstige generaties.

‘De genen van de kunstverzamelaar. 500 jaar verzamelen.’ door Jacob Six verschijnt op 4 juni en wordt uitgegeven door Uitgeverij Waanders & de Kunst.

Afb. 7. ‘De genen van de kunstverzamelaar. 500 jaar verzamelen.’ door Jacob Six verschijnt op 4 juni en wordt uitgegeven door Uitgeverij Waanders & de Kunst
Afb. 7. ‘De genen van de kunstverzamelaar. 500 jaar verzamelen.’ door Jacob Six verschijnt op 4 juni en wordt uitgegeven door Uitgeverij Waanders & de Kunst.