Moord & Brand: het tragische einde van Mevrouw Van der Heim en dochter freule Cornelia

Afb. 1. In het midden de ingestorte pakhuizen en rechts het grote huis van jonkheer Van der Heim, waarvan een gedeelte van de binnenmuren aan de linkerzijde ook instortte.
Afb. 1. In het midden de ingestorte pakhuizen en rechts het grote huis van jonkheer Van der Heim, waarvan een gedeelte van de binnenmuren aan de linkerzijde ook instortte.

In 1775 verkocht Carolina Wilhelmina van Hogendorp née van Haren – moeder van de bekende staatsman Gijsbert Karel graaf van Hogendorp – voor f 26.325,- een huis in Rotterdam staande aan de Leuvenhaven aan mr. Jacob van der Heim (1727-1799) en echtgenote Maria Arnoldina van der Heim née Gevaerts (1728-1793). Beiden stamden uit vooraanstaande Rotterdamse en Dordrechtse regentengeslachten. Drie van hun zoons werden in 1815 en in 1816 in de Nederlandse adel verheven met het predikaat jonkheer en hun tweede zoon jonkheer mr. Anthonij van der Heim (1756-1831) nam in 1801 het huis uit de ouderlijke boedel over. Hij was in 1783 gehuwd met Elisabeth Antonia van der Does en samen kregen zij elf kinderen, waarvan negen op jonge leeftijd kwamen te overlijden.

Jonkheer Van der Heim maakte carrière in het bestuur van Rotterdam en bracht het in de jaren 1810-1811 zelfs tot maire (burgemeester) van Rotterdam. Het echtpaar leefde op royale voet omringd door personeel in hun grote huis aan de Leuvenhaven en maakte deel uit van de stedelijke elite van Rotterdam.

Afb. 2. Het familiewapen Van der Heim.
Afb. 2. Het familiewapen Van der Heim.

Op de avond van 23 maart 1826 bezocht jonkheer Van der Heim de Groote Societeit van Rotterdam en na hier een genoeglijke avond met standgenoten te hebben doorgebracht, voltrok zich bij terugkomst voor zijn ogen, terwijl hij op de Leuvenbrug stond, een drama: “In den avond van den 23 dezer, omtrent tien uren, heeft alhier een droevig ongeluk plaats gehad: drie pakhuizen, naast elkander staande op de Leuvenhaven en behoorende aan den heer de Bruyn, zijn plotseling ingestort, en wel zoodanig, dat dezelve niets dan een puinhoop opleveren; de gevels zijn voorover geslagen en de zijmuren uitgebarsten. Op straat is er gelukkig niemand onder gebleven, maar het belendende huis van den heer burgemeester van der Heim is deerlijk geteisterd, en, tot overmaat van ongeluk, is een der muren van de binnenkamer mede genomen, waarin mevrouw van der Heim, geboren van der Does en hare dochter Cornelia Jacoba van der Heim, zich bevonden, die onder de puinhoopen zijn verpletterd geworden en welker lijken eerst ten twee uren in den nacht zijn opgegraven worden; terwijl daarentegen de knecht, die ook in de kamer was, maar juist de deur wilde uitgaan, hoewel onder puin en goederen begraven, er met zware kneuzingen is afgekomen, hebbende men het geluk gehad hem, op zijn geschreeuw, reeds spoedig te kunnen opdelven en redden.”

Enkele dagen later trok een droeve stoet door Rotterdam en jonkheer Van der Heim begeleidde samen met zijn enig overgebleven zoon, die uit Middelburg overgekomen was, zijn echtgenote en tiende kind naar hun laatste rustplaats.

Zijn zoon kreeg uiteindelijk zelf negen kinderen, maar ondanks de kinderrijkdom gedurende twee generaties in deze familie, stierf het adellijke geslacht Van der Heim in 1898 uit.