Het scherp van de snede – Vier eeuwen papierknipkunst in Nederland


Sinds de Gouden Eeuw maken mensen in huiselijke omgeving uit papier de mooiste creaties met mes of schaar. Zonder scholing, zonder leermeester en zonder voorbeelden knippen of snijden zij illustraties bij verhalen, sierlijk schoonschrift, geboorte- en bruiloftsherinneringen, portretten, godsdienstige en politieke prenten of scènes uit hun dagelijks leven. Zij doen dat ieder op hun eigen manier: symmetrisch of niet, in het platte vlak of met een vleugje reliëf, heel naïef of uiterst verfijnd. Een enkeling is beroemd in zijn tijd, om daarna weer snel te worden vergeten. Aan de hand van hun werk geeft Het scherp van de snede aan dertig papierknipkunstenaars weer een gezicht. Daarmee vertelt het ook de geschiedenis van vier eeuwen papierknipkunst in Nederland.

In één van de 30 hoofdstukken over papierkunstenaars van de 17e tot de 20e eeuw is een hoofdstuk over de 18e-eeuwse snijkunstenaar Frederik Hendrik baron van Voorst.

Link naar bestelmogelijkheid: https://www.waanders.nl/nl/het-scherp-van-de-snede.html

26 t/ 29 febr.: timed online veiling Veilinghuis Van Spengen met zilver Boreel

Afb. Twee zilveren borden met het familiewapen Boreel, waarvan de opbrengst voor het Rode Kruis is. Foto met hartelijke dank aan Veilinghuis Van Spengen in Hilversum.

Van 26 t/m 29 februari loopt er een timed online veiling af bij Veilinghuis Van Spengen in Hilversum met kunst, antiek, zilver, porselein, juwelen, enz. Tot de aangeboden kavels behoort o.a. zilver met het wapen Boreel. Lees het verhaal hierbij hieronder en kijk voor de online catalogus voor wat verder geveild wordt op https://vanspengen.cloudcatalogus.nl/Home/Catalog

Lotnr. 2016 betreft twee zilveren borden met gecountourneerde rand, voorzien van het gegraveerde familiewapen van Boreel. De borden zijn in Amsterdam gemaakt anno 1773 en 1774 en zijn beide van meester Frederik Manicus I (Citroen nr. 226) (diameter 25 cm., gewicht 1160 gram).  De opbrengst is ten bate van het Rode Kruis.

De twee borden worden getaxeerd op 600-800 euro.

De familie Boreel is een oude regentenfamilie en behoort sinds 1814 tot de Nederlandse adel met het predikaat jonkheer/jonkvrouwe. In 1645 werd een voorvader al door Koning Karel I van Engeland verheven tot Baronet. Deze niet-adellijke, maar wel erfelijke titel geeft de drager het recht het Engelse predikaat Sir te voeren. De familie Boreel is de enige overgebleven Nederlandse adellijke familie die dit Engelse predikaat heeft. De huidige Chef de Famille is de 14e Baronet.

AiN op reis: het familiegraf Roest van Alkemade in de kathedraal van Brussel

Afb. 1. Het graf De Roest d’Alkemade in St-Michiels en St-Goedelekathedraal in Brussel.

In de St-Michiels en St-Goedelekathedraal in Brussel bevindt zich links voorin, op een prominente plek, een grafkelder van de familie De Roest d’Alkemade – een Belgische adellijke familie, die zijn oorsprong vindt in Amsterdam.

De familie Roest van Alkemade is een van oorsprong Amsterdamse familie en begint in 1553 met de vermelding van de stamouders Elbert N.N. en Belie Jacobsdr. Hun zoon, Roelof Elbertsz., werd in 1557 als zuivelkoper in de Kromme Elleboogsteeg in Amsterdam vermeld. Het was diens zoon, de zijdelakenverkoper Frederik Roelofszn., die in 1588 in Amsterdam in het huwelijk trad met Alyt Roest en hun nageslacht nam de familienaam Roest over.

Afb. 2. Françoise Angélique Gilles (1758-1826), echtgenote van Arnoldus Roest van Alkemade (1756-1787), met haar zoons Theodore Joseph Roest van Alkemade en Ludovicus Franciscus Roest van Alkemade. Haar echtgenoot was ten tijde van de vervaardiging van dit portret door N.J. Delin al overleden en hij staat op het medaillon, dat op haar jurk is gespeld, afgebeeld. Arnoldus Roest van Alkemade was een kleinzoon van het in de tekst genoemde echtpaar Roest van Alkemade-Cromhout. Deze tak bleef tot aan haar uitsterven in 1809 in Amsterdam woonachtig. Foto met dank aan collectie RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis/19403.

In de volgende generatie huwde de advocaat mr. Adriaen Vredericksz Roest (1593-1636) in 1630 Catharina van Alkemade (ca. 1597-1645) en hun nageslacht verkreeg op deze wijze de dubbele achternaam Roest van Alkemade. Het was hun zoon mr. Adriaen Roest van Alkemade (1639-1692), die advocaat en regent van het Aalmoezeniersweeshuis in Amsterdam was, die in 1669 een buitengewoon gunstig huwelijk sloot met de vermogende Ida Maria Cromhout (1649-1692). Haar ouders stonden met 1 miljoen gulden op de 20ste plaats van rijksten in de 17e eeuw. Adriaen en Ida Maria werden zelf in 1674 aangeslagen voor een vermogen van 250.000 gulden. De familie Roest van Alkemade bleef rooms-katholiek, waardoor bepaalde regentenfuncties niet meer bereikbaar waren, maar hun vermogen en hun gunstige huwelijken zorgden er voor dat zij tot de elite bleven behoren.

De sterke sociale stijging en het grote familiekapitaal opende de adellijke huwelijksmarkt en in 1746 trad hun kleinzoon Jacob Theodoor Roest van Alkemade (1717-1767), die meester-munter in de Munt in Dordrecht was, in het huwelijk met de adellijke Elisabeth Maria Cornelia Oem van Moesenbroeck, vrouwe van Moesenbroeck (1727-1785).

Hun oudste zoon werd in 1816 opgenomen in de Nederlandse adel met de titel baron op basis van het adelsdiploma van Keizer Jozef II uit 1782. Deze tak stierf in 1851 uit. Hun tweede zoon voegde de naam van zijn moeder toe en deze tak werd uiteindelijk in de Belgische adel opgenomen waar zij voortleeft als De Roest d’Alkemade en De Roest d’Alkemade gezegd Oem van Moesenbroeck. Deze tak heeft de titel burggraaf bij eerstgeboorte.

Afb. 3. Links voor het altaar op een prominente plek de grafkelder De Roest d’Alkemade.

Valentijn in de 17e eeuw: ‘Mijn heer en lieste hartge’, de brieven van Margaretha barones van Reede née Turnor (1613-1700)

Reede-Turnor
Afb. Margaretha barones van Reede née Turnor (1613-1700) op een portret door J. Ovens in de bovengalerij van kasteel Amerongen. Foto met hartelijke dank aan: www.facebook.com/kasteelamerongen.

Margaretha van Reede leefde in roerige tijden met als dieptepunt het Rampjaar 1672, waarin de Republiek door onder meer de Franse troepen werd aangevallen, die in februari 1673 het kasteel Amerongen van de Van Reedes in de brand staken. Hierover schreef zij kort daarop op 27 februari: ‘dat de franse hetselfve aen de vier hoecke soude aen brant gesteecke hebbe (…) het soude twee dage brant hebbe.

Margaretha van Reede stond er alleen voor in deze moeilijke jaren, omdat haar echtgenoot, de diplomaat Godard Adriaan baron van Reede (1621-1691), veel in het buitenland verbleef. Eén à twee maal per week schreef zij echter trouw aan haar echtgenoot en besprak in deze brieven de dagelijkse beslommeringen, de herbouw en het beheer van kasteel Amerongen, de financiën en gebeurtenissen in de naaste familie. Vrijwel steevast liet zij de brieven aan haar echtgenoot beginnen met de aanhef ‘Mijn heer en lieste hartge’ en eindigde deze met ‘uhEd (U hoog Edele – red.) getrouwe wijff, M. Turnor

Over deze brieven verscheen een bijzonder boekje, dat op kasteel Amerongen nog steeds te koop is: D. Pezarro, Mijn heer en liefste hartje, (Amerongen, 1991).

Voor meer informatie over kasteel Amerongen en bezoekmogelijkheden zie: https://www.kasteelamerongen.nl/

Afb. 2. Kasteel Amerongen werd herbouwd dankzij de inspanningen van Margaretha barones van Reede née Turnor (1613-1700).

Het verhaal bij een graf: de jonggestorven jonkheer Lopez Suasso Diaz da Fonseca

Afb. 1. Het grafmonument voor de jonggestorven jonkheer met de omgekeerde toortsen als hekpaaltjes; symbool voor het uitgedoofde leven.
Afb. 1. Het grafmonument voor de jonggestorven jonkheer met de omgekeerde toortsen als hekpaaltjes; symbool voor het uitgedoofde leven.

HET GRAF VAN JONKHEER HUGO ANTONIO LOPEZ DIAZ DA FONSECA (1814-1836)

Op de zeer fraai aangelegde begraafplaats Soestbergen in Utrecht – naar een ontwerp van J.D. Zocher uit 1830 – treft men veel adellijk funerair erfgoed. Eén voorbeeld hiervan is het opvallende grafmonument voor de jonggestorven voornoemde jonkheer Lopez Suasso Diaz da Fonseca.

Boven zijn graf verheft zich een afgeknotte zuil als symbool van het plotseling, jong afgebroken leven, waarop het familiewapen is aangebracht met daarboven een Brabantse baronnenkroon met zeven parels. Het familiewapen is omringd door een lauwerkrans, waarvan de bladeren, die altijd groen blijven, symbool staan voor het eeuwige leven en voor de onvergankelijkheid, maar de krans is tevens een symbool van eerbetoon aan de overledene.

Afb. 2. De tekst op het grafmonument.
Afb. 2. De tekst op het grafmonument.

Jonkheer Hugo Antonio Lopez Suasso Diaz da Fonseca werd geboren op 1 september 1814 te Horsham in Sussex (UK). Zijn vader, jonkheer Antonio Lopez Suasso Diaz da Foseca, stamde uit een Portugees-joods geslacht en een voorvader werd in 1676 door de Spaanse Koning Karel II verheven tot Baron van Avernas le Gras. De familie vestigde zich in de 17e eeuw in ‘s-Gravenhage en in 1831 volgde de erkenning in de Nederlandse adel en de benoeming in de Ridderschap van Zuid-Holland. Zijn moeder, Esther Elisabeth de Carteret, was afkomstig van het eiland Jersey en stamde uit een Franse adellijke familie.

Afb. 3. Het familiewapen Lopez Suasso Diaz da Fonseca.
Afb. 3. Het familiewapen Lopez Suasso Diaz da Fonseca.

Hij groeide als tweede kind in het gezin met een oudere broer en een jonger zusje en broertje de eerste jaren op in Horsham, Southampton en Plymouth. Hier woonde het gezin, omdat zijn vader na de Bataafse Revolutie in 1795 het land verlaten had en als kapitein in dienst getreden was bij de Horseguards. Na het overlijden van zijn moeder in 1829 nam zijn vader ontslag uit het leger en vestigde zich in Brussel, maar door de Belgische Opstand van 1830 ging het gezin in Nederland wonen. Jonkheer Hugo Antonio Lopez Suasso Diaz da Fonseca ging vervolgens letteren en rechten studeren in Utrecht, maar kwam hier op 27 januari 1836 op eenentwintigjarige leeftijd te overlijden. Zijn diepbedroefde vader stichtte hem een monumentaal graf, dat nog heden getuigt van dit grote verdriet.

Het verhaal bij het portret van Ottelina Cornelia Cort van der Linden née jonkvrouwe Sickinghe (1895-1975) – het leven van een burgemeestersvrouw

a28
Afb. Een aantal jaren geleden werd dit portret op een veiling aangeboden, dat bij één van de volgers van AiN een goed onderkomen heeft gevonden. Hier het bijbehorende levensverhaal.

AFKOMST
Jonkvrouwe Ottelina Cornelia Sickinghe werd geboren op 13 augustus 1895 te Arnhem. Haar vader, jonkheer Agathon Gerard Sickinghe, was een telg uit een oud-adellijk Groninger geslacht van bestuurders, waarvan de stamvader Lubbert Sickinghe in 1354 als burgemeester van Groningen genoemd werd. In 1814 werd een voorvader benoemd in de Ridderschap van Groningen en sindsdien voerden hij en zijn nakomelingen het predicaat van jonkheer/jonkvrouwe. Haar moeder, Elisabeth Jacoba Lucia Margaretha Geisweit van der Netten, stamde uit de Haagse familie Van der Netten. Door het huwelijk in 1757 van haar voorvader mr. Justinus Cornelis van der Netten (1729-1780), die onder meer advocaat voor het Hof van Holland was, met Antonia Geisweit, telg uit een geslacht van burgemeesters en predikanten, werd deze naam toegevoegd aan de familienaam.

JEUGDJAREN
Zij groeide de eerste jaren op in Arnhem aan de Schoolstraat nr. 77 met een zusje dat drie jaar ouder was en vijf jaar na haar geboorte werd het gezin nog uitgebreid met een broertje. Haar vader was luitenant-adjudant bij het Korps Rijdende Artillerie en na zijn benoeming tot ordonnans-officier van H.M. Koningin Wilhelmina verhuisde het gezin naar ’s-Gravenhage, waar het aan de Rijnstraat nr. 34 ging wonen. Vervolgens woonde het gezin enkele jaren in Utrecht vanwege terugkeer bij de ‘Rijers’, tot haar vader in 1912 benoemd werd tot kapitein-adjudant van H.M. Koningin Wilhelmina en het gezin aan de Groot Hertoginnelaan nr. 22 in ’s-Gravenhage ging wonen. Haar vader had in de jaren die volgden een glansrijke hofcarrière en werd achtereenvolgens kamerheer, eerste kamerheer-ceremoniemeester, eerste kamerheer, waarnemend hofmaarschalk en eerste kamerheer-honorair. Als militair bereikte hij de rang van luitenant-generaal titulair. Het familieboek zegt over hem: “Economisch gezien had Vader voor zijn positie, vooral in de latere jaren, eigenlijk te weinig fortuin, om met grote allure zijn rol te kunnen spelen. Vooral na de Tweede Wereldoorlog heeft hem dit veel parten gespeeld.”

HUWELIJK
Op 18 april 1918 huwde jonkvrouwe Ottelina Cornelia Sickinghe op tweeëntwintigjarige leeftijd mr. Willem Pieter Jacob Henri Cort van der Linden, die vierentwintig jaar oud was. Hij werd geboren op 19 augustus 1893 te Hilversum als zoon van mr. Pieter Wilhelm Adriaan van der Linden en Johanna Cornelia de Koning. Zijn vader was de bekende staatsman die in de jaren 1913-1918 minister-president was en vanaf 1915 Minister van Staat. De dubbele achternaam was ontstaan door het toevoegen van de familienaam van een overgrootmoeder Cort. In 1921 werd hem het Ridder-Grootkruis in de Pius Orde verleend, waaraan erfelijk adeldom was verbonden, zodat hij en zijn nakomelingen zich als ‘nobile’ tot de pauselijke adel konden rekenen.

Haar echtgenoot had rechten gestudeerd in Leiden en na zijn huwelijk vestigde hij zich als advocaat in ’s-Gravenhage. Hier woonden zij aan de Delistraat nr. 38. Op 12 maart 1919 werd hier hun zoon Pieter Wilhelm Adriaan Gijsbertus geboren, gevolgd door hun dochter Elisabeth Jacoba Lucia Margaretha op 28 juli 1921. In 1926 verhuisde het gezin naar de Groenhovenstraat nr. 8. Haar echtgenoot was inmiddels algemeen secretaris van het Verbond van Nederlandse Werkgevers geworden tot hij in 1934 benoemd werd tot burgemeester van Groningen en het gezin hierheen verhuisde. Voor het zover was, werd er eerst afscheid genomen van haar echtgenoot als algemeen secretaris in Hotel Twee Steden in ‘s-Gravenhage, waarbij zij grote manden met bloemen kreeg overhandigd.

BURGEMEESTERSVROUW IN GRONINGEN
Op maandag 1 oktober 1934 vond de installatie plaats van haar echtgenoot in de buitengewone vergadering van de gemeente Groningen, waarbij de gehele raad voltallig aanwezig was en alleen de beide communisten ontbraken. In de krant viel over zijn toespraak te lezen: “De nieuwe burgemeester wees er op, dat hij bij het aanvaarden van deze belangrijke functie afscheid heeft genomen van een betrekking, die hij meer dan 16 jaren vervulde. In die betrekking is hij zeer nauw betrokken geweest in de phaenomenale ontwikkeling der sociale wetgeving, die de jaren na den oorlog kenmerkte, zoodat ook zijn adviezen zich over een breeden strook van het maatschappelijke leven uitstrekten. De nood der tijden bracht ook hierin verandering; de ontwikkeling der sociale wetgeving maakte plaats voor den economischen strijd van ons geheele land voor bloot zelfbehoud. Tegelijk met deze verandering in den aard van zijn werk verlevendigde het rijpen der jaren de zucht naar een meer zelfstandigen en verantwoordelijken werkkring. Het was een reden van groote blijdschap voor den heer Cort van der Linden, dat hem niet alleen het burgemeestersambt in een der grootste steden van ons land werd aangeboden, maar nog wel dat van Groningen. Want traditie en eigen ervaring maakten reeds vroeg, dat deze stad hem bijzonder lief is. De jaren, die zijn ouders als ingezetenen van Groningen hebben doorgebracht, zijn de gelukkigste geweest van hun leven. Ook in het hart van zijn schoonouders neemt Groningen een groote plaats in, daar zijn vrouw uit een oud Groningsch geslacht stamt, waarvan niet minder dan elf leden achtereenvolgens de plaats innamen, die de nieuwe burgemeester thans inneemt.” Als burgemeestersvrouw wachtte haar een druk bestaan, want nadat het gezin een statig pand aan het Zuiderpark nr. 2 had betrokken, werd er gedurende twee middagen een receptie gegeven voor de burgers van Groningen: “Receptie bij den burgemeester van Groningen – Ons wordt verzocht te berichten, dat de burgemeester van Groningen en mevrouw Cort van der Linden-Sickinghe te hunnen woonhuize Zuiderpark 2, zullen ontvangen op Zondag 2 en op Zondag 9 December des namiddags van 3 tot 6 uur.” In de jaren daarna had zij haar vaste ontvangdag op de eerste en derde donderdag van de maand, waarbij zij vanaf ’s middags half vier de Groningse dames ontving. Dit gebruik werd zelfs na de Tweede Wereldoorlog nog jaren voortgezet. Ook op andere gebieden was zij actief als burgemeestersvrouw. Zo werd zij:

  • ere-presidente afdelingen Groningen van de Vereniging Tesselschade
  • ere-presidente van het comité van Groningse vrouwen voor het aanbieden van een huwelijksgeschenk ter gelegenheid van het huwelijk van H.K.H. Prinses Juliana
  • ere-presidente Comité ‘Blijde gebeurtenis in het Prinselijk Gezin’
  • ere-presidente van de Groninger Vrijwillige Vrouwen Hulp
  • ere-presidente van het comité voor de propaganda van de verkoop van zomerpostzegels
  • ere-presidente Nederlandse Bond voor Ziekenverpleging afdeling Groningen
  • ere-voorzitster Commissie voor Vrouwelijke Hulpverlening voor de stad Groningen
  • beschermvrouwe van de Brunhilde-dames
  • bestuurslid van de Industrie-school voor Meisjes
  • lid commissie financiën van het Algemeen Comité voor de stad Groningen ter voorbereiding van de huldiging van het a.s. huwelijk van H.K.H. Prinses Juliana en Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld
  • lid van een comité dat tot doel had ‘om taak en werkwijze der zending uiteen te doen zetten door daartoe alleszins bevoegde sprekers’ over de zending in Indië

Via een ingezonden brief deed zij aanbeveling voor de collecte ten bate van vakantieoorden voor de huisvrouwen van alle gezindten namens de Commissie voor Huishoudelijke Voorlichting en Gezinszorg: “Wie onzer beseft niet hoezeer ook de huisvrouw juist in de moeilijke tijdsomstandigheden , waarin wij leven, vacantie nodig heeft, om geestelijk en lichamelijk weer voor de verzorging van haar gezin te kunnen staan. Laten we hopen, dat er dit jaar vele collectanten zullen zijn, opdat zeer vele huisvrouwen in staat zullen worden gesteld om elk in eigen geestelijken sfeer, nieuwe krachten op te doen voor haar dagelijkse taak. Geeft allen met milden hand. O.C. CORT VAN DER LINDEN-SICKINGHE.”

Speciale aandacht had zij voor het Koninklijk Huis. Zo werd zij in 1936 lid van de commissie financiën van het Algemeen Comité voor de stad Groningen ter voorbereiding van de huldiging van het a.s. huwelijk van H.K.H. Prinses Juliana en Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld en werd zij in hetzelfde jaar ter gelegenheid van het huwelijk van H.K.H. Prinses Juliana ere-presidente van het comité van Groningse vrouwen voor het aanbieden van een huwelijksgeschenk. Besloten werd “… dat de Groningsche vrouwen zullen aanbieden linnen tafelgoed in meer uitgebreiden vorm, als onderdeel van het groote nationale geschenk. Het zal versierd worden met kant, gemaakt door de kantschool ‘Het Molenwiekje’ te Hoorn. Kant en linnen zullen tot één geheel vervaardigd worden op de Industriescholen alhier.” De keuze voor deze industriescholen lag voor de hand, want zij zat zelf in het bestuur hiervan. In 1937 richtte haar echtgenoot het Comité ‘Blijde gebeurtenis in het Prinselijk Gezin’ op, die tot doel had baby-uitzetjes te verstrekken aan moeders die in dezelfde periode in gelijke omstandigheden verkeerden en voor uitdeling in aanmerking kwamen. Zij werd hiervan vervolgens ere-presidente. Toen Prins Bernhard in 1938 het beschermheerschap van de Provinciale Vereniging ter Bevordering van de Paardenfokkerij in Groningen op zich nam en naar Groningen kwam, was zij hierbij aanwezig en kreeg bij deze gelegenheid als burgemeestersvrouw bloemen overhandigd. Ter gelegenheid van de geboorte van een vorstelijk kind werd zij in 1945 lid van een comité en namens dit comité schreef zij in de krant: “Onze groote vreugde over de komende geboorte van het vorstelijk kind, willen wij toonen door vele moeders van een gelijktijdig geboren kindje, met wat babygoed gelukkig te maken. Aan allen die hieraan reeds hebben medegewerkt en ons comité met een mooi pakje hebben verblijd, willen wij onze hartelijken dank betuigen. Tot 28 December blijft de gelegenheid om Uwe gave te zenden aan het Bureau van de U.V.V. , Roode Weeshuisstraat 11, tusschen 2 en 5 uur. Op Zaterdagmiddag 21 December is er gelegenheid de binnengekomen kleertjes te bezichtigen, waarna alles naar Soestdijk zal worden opgezonden.”

Bij vele gelegenheden gaf zij als burgemeestersvrouw acte de présence, zoals bij de opening van een tentoonstelling van de Kantklosvereniging ‘Het Molenwiekje’, Ook was zij met haar echtgenoot jarenlang te gast bij de Nijjoarsveziede van de Vereniging Grönneger Sproak, waar zij in 1938 in het bijzonder hartelijk welkom werden geheten, “… doch zij wisten reeds uit ondervinding hoe gezellig de Nijjoarsviziedes zijn.” Daarnaast waren er premières zoals de gala-première van de opera-opvoering van ‘Saskia’ door de Groningse studenten in 1939, maar ook de Vereeniging tot Oprichting en Instandhouding eener Openbare Leeszaal en Boekerij in Groningen mocht op haar warme belangstelling rekenen, want in 1937 deed zij hieraan een schenking.

OORLOGSJAREN
In 1940, een maand nadat Nederland bezet was, was zij aanwezig bij de officiële plechtigheid van de oprichting van de ‘Gronob’, de Groninger Noodbeurs der vertegenwoordigers van Handel en Industrie, waarover in kranten geschreven werd: “Het is prettig te constateeren, dat ondanks de moeilijke omstandigheden, de Groningers niet bij de pakken neerzitten, maar met frisschen moed trachten het hoofd boven water te houden.” De oorlog had grote gevolgen voor hun leven, want op 3 september 1942 werd haar echtgenoot als burgemeester ontslagen. Samen met haar echtgenoot dook zij uiteindelijk onder op een boerderij in Maarn. In de Hongerwinter van 1944/45 kwam zij op 2 maart helemaal per fiets hier vandaan naar ’s-Gravenhage om haar ouders te bezoeken, die hun huis hadden moeten verlaten en ingekwartierd zaten in een pension. Haar broer, jonkheer ir. Pieter Onno Rembt Sickinghe, gaf haar het advies de volgende morgen heel vroeg te vertrekken in verband met bombardementen, die vaak in de ochtenduren waren. Op 3 maart fietste zij ’s ochtends om 8.00 uur door het Bezuidenhout-Kwartier. Een uur later begon het verwoestende bombardement, die deze hele wijk verwoestte. Als door een wonder ontsnapte zij hieraan

Op 5 mei 1945 werd haar echtgenoot opnieuw benoemd tot burgemeester van Groningen en hervatte het burgemeestersleven weer. Even was er nog sprake van dat hij burgemeester van ’s-Gravenhage zou worden, maar Koningin Wilhelmina hield deze benoeming tegen, omdat zij hierover niet geïnformeerd was en dit uit de krant had moeten vernemen. Terwijl haar echtgenoot zich vooral richtte op de wederopbouwplannen van de verwoeste stadskern van Groningen had zij opnieuw haar ontvangmiddagen op de eerste en derde donderdag van de maand. Zij was weer representatief aanwezig bij de opening van tentoonstellingen, zoals die van Italiaanse tekeningen uit de 14e tot de 17e eeuw, of bij het jubileum van de koorleider van het kerkelijk zangkoor van de Ned. Hervormde Gemeente in Groningen, waarbij zij de receptie bezocht, of zij bezocht een lezing van de Nederlandse Bond van Vrouwen werkzaam in Bedrijf en Beroep van de afdeling Groningen, waar een majoor van het Leger des Heils sprak over maatschappelijk werk. In deze jaren waren er ook heuglijke familiegebeurtenissen. Zo huwde hun dochter in 1948 Constantijn Leopold van Panthaleon baron van Eck en hun zoon huwde in 1950 een meisje Thomassen. In 1949 werd hun eerste kleinkind geboren, dat naar haar werd vernoemd: Otteline Cornelia van Panthaleon barones van Eck.

JAREN IN ’S-GRAVENHAGE EN WASSENAAR
Per 1 juni 1951 kwam er aan hun jaren in Groningen een einde, omdat haar echtgenoot benoemd werd tot lid van de Raad van State. Bij zijn afscheid werd hem veel lof toegezwaaid, terwijl hij bij zijn aantreden juist met reserves werd tegemoet getreden, vanwege zijn liberale achtergrond. Zij verhuisden toen naar ’s-Gravenhage, waar zij aan de Alexander Gogelweg nr. 41 gingen wonen.

Op 26 november 1953 werden zij door groot verdriet getroffen door het overlijden van hun dochter op tweeëndertigjarige leeftijd: “Tot onze droefheid is heden van ons heengegaan onze innig geliefde Dochter en Zuster Vrouwe ELISABETH JACOBA LUCIA MARGARETHA VAN PANTHALEON baronesse VAN ECK-Cort van der Linden.” Zij liet een echtgenoot achter en twee kinderen: de vierjarige Ottelientje en de tweejarige Reinier.

Uiteindelijk verhuisden zij naar Wassenaar naar de Berkenlaan nr. 3 en hier kwam haar echtgenoot op 18 maart 1969 op vierenzeventigjarige leeftijd te overlijden: “Heden nam God tot Zich mijn dierbare man, onze lieve vader, behuwdvader en grootvader Mr. Pieter Willem Jacob Henri Cort van der Linden oud-lid van de Raad van State, oud-burgemeester van Groningen, commandeur in de Orde van Oranje-Nassau, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.” De begrafenis vond in stilte plaats. In de Groninger gemeenteraad werd haar echtgenoot herdacht “… als een man van grote bestuurlijke kwaliteiten en als een gaaf Nederlander, wiens onverzettelijke houding tijdens de oorlogsjaren grote bewondering afdwong. ‘De heer Cort van der Linden heeft zijn burgemeesterschap van Groningen in de jaren 1934-1951 met grote voldoening vervuld, zo is mij herhaaldelijk uit persoonlijke contacten gebleken’, aldus de heer Berger’”, de toenmalige burgemeester van Groningen. Hierna nam de raad een ogenblik stilte in acht.

OVERLIJDEN
Zes jaar later kwam zij op tachtigjarige leeftijd te overlijden, nadat zij de laatste jaren aan de Schout bij Nacht Doormanlaan nr. 23 gewoond had: “Op 28 november ging, tot onze diepe droefheid, van ons heen onze dierbare Moeder, Schoonmoeder en Grootmoeder Jonkvrouwe OTTELINA CORNELIA SICKINGHE weduwe van Mr. P.W.J.H. CORT VAN DER LINDEN.” Haar begrafenis vond op haar eigen verzoek in besloten familiekring plaats op de Nederlands Hervormde Begraafplaats in Wassenaar.

Veilingnieuws zo. 18 febr.: timed online veiling Veilinghuis Peerdeman met portret Louise van Oranje-Nassau en wapenporselein Van Burmania

Afb. 1. Louise Prinses van Oranje-Nassau (1770-1819). Foto met hartelijke dank aan Veilinghuis Peerdeman in Utrecht.

Op zondag 18 februari loopt er een timed online veiling af bij Veilinghuis Peerdeman in Utrecht met kunst, antiek, design en sieraden, met daaronder een portret van Louise Prinses van Oranje-Nassau en kop-en-schotels met het familiewapen Van Burmania. Lees het verhaal hieronder en kijk voor de online catalogi van Veilinghuis Peerdeman in Utrecht op https://veilinghuispeerdeman.nl/main.php?mode=catalogselect

Lotnummer 255 betreft een portret van Louise Prinses van Oranje-Nassau (1770-1819), dochter van Stadhouder Willem V en zusje van Koning Willem I, en is een pastel op papier, niet gesigneerd, 1805, verso voorzien van gedichtje en inscriptie: ‘Ce portrait a été donné à M. de Servétière [Louises vroegere Zwitserse gouvernante Victoire E. Hollard-de Servétière (1745-1806)] par Madame la Princesse en 1805’, 30,5 × 23,5 cm, vergelijkbare portretten bevinden zich op Paleis Het Loo en Kasteel Twickel.

Het portret wordt getaxeerd op 1000-1500 euro.

Lotnummer 193 betreft drie Chinees porseleinen Chine de commande kop-en-schotels met polychroom decor van het wapen de Friese adellijke familie Van Burmania, circa 1740-1760. Deze familie is uitgestorven, maar de naam werd overgenomen door een tak van de adellijke familie Rengers, die in 1870 toestemming kreeg om zich Juckema van Burmania Rengers te noemen. Door het uitsterven van deze tak in 1963 is de naam Van Burmania bij deze familie uitgestorven.

In 1879 kreeg een jonkheer Humalda van Eijsinga echter ook toestemming om de naam Burmania toe te voegen en de jonkheren/jonkvrouwen Burmania van Humalda van Eysinga leven nog steeds voort.

De kop-en-schotels worden getaxeerd op 200-300 euro.

Afb. 2. Kop-en-schotels met het familiewapen van de uitgestorven adellijke familie Van Burmania. Foto met hartelijke dank aan Veilinghuis Peerdeman in Utrecht.

Mr. Rhijnvis Feith (1753-1824): 200ste sterfdag

Afb. 1. Bloemen namens AiN in de kleuren wit en groen op het graf van Rhijnvis Feith (1753-1824) ter gelegenheid van zijn 200ste sterfdag. Deze kleuren verwijzen naar het familiewapen Feith: in groen een steigerend zilveren paard.

“Op heden (den 8) verspreidt zich de treurmare bij onze stadgenooten: Rijnvis Feith, de groote Feith is niet meer! Neêrlands beroemde zanger aan de boorden van den IJsselstroom heeft deze wereld verlaten, en deze aarde verwisseld met een beter vaderland”, aldus een bericht in de Zwolsche Courant van 10 februari 1824.

Rhijnvis Feith werd geboren op 7 februari 1753 in Zwolle als zoon van mr. Pieter Feith (1729-1802) en Elsabé Spaer (1724-1778). Zijn vader was ontvanger der convooien en licenten in Zwolle en stamde uit een regentengeslacht, dat teruggaat tot in de 15e eeuw in Elburg. Twaalf Feithen zouden uiteindelijk in de loop der eeuwen burgemeester van dit Zuiderzeestadje worden. Nog heden herinnert in Elburg het Feithenhof, een armenhuis uit de 18e eeuw, met naam en een verwijzing naar het familiewapen boven de ingangspoort aan de belangrijke rol die de Feithen hier eens hadden. In de jaren 1901 en 1905 werden nakomelingen in de Nederlandse adel verheven met het predikaat jonkheer/jonkvrouwe.

Afb. 2. De imposante voorgevel van het woonhuis van de regentenfamilie Feith. Het huis was al in het bezit van de ouders van Rhijnvis Feith, het echtpaar Feith-Spaer, en hun beider wapens zijn in het stucwerk in de gang aangebracht. Alle huidige jonkheren en jonkvrouwen Feith stammen van dit echtpaar af.

Na een studie rechten in Leiden werd Rhijnvis Feith eerst adjunct-ontvanger en daarna ontvanger der convooien en licenten op het belastingkantoor van zijn vader in Zwolle. In 1787 werd hij burgemeester van Zwolle, maar werd vanwege zijn sympathie voor de ideeën van de Patriotten datzelfde jaar al weer uit deze functie ontheven. Al veel eerder, in 1772, was hij in het huwelijk getreden met Okje Groeneveld, die uit Oost-Friesland afkomstig was, en samen kregen zij negen kinderen. Het gezin bewoonde een groot, zes vensters breed pand in de Bloemendalstraat in Zwolle en des zomers verbleef het op Boschwijk even buiten Zwolle, om te genieten van landelijke genoegens.

Afb. 3. Rhijnvis Feith en profil in het medaillon op de obelisk boven zijn graf.

Zijn grootste bekendheid en roem verwierf Rhijnvis Feith als schrijver en dichter. Hij schreef toneelstukken en enkele cantates. Zijn briefroman Julia, over jonge geliefden, heeft in de literatuurgeschiedenis een belangrijke plek verworven als vertegenwoordiger van het sentimentalisme. Vaak werd en soms wordt in kerken op oudejaarsavond zijn ‘Uren, dagen, maanden, jaren, vliegen als een schaduw heen’ gezongen. Vandaag weerklonk het weer even bij zijn graf in Zwolle met als favoriete strofe:

Voorgeslachten kwijnden henen,
en wij bloeien op hun graf.
Ras zal ‘t nakroost ons bewenen:
‘t mensdom valt als blaad’ren af.
‘t Stof, door eeuwen saamgelezen,
houdt hetzelfde graf bewaard.
Buiten U, o eeuwig Wezen, ach,
wat was de mens op aard!

Op 8 februari 1824 overleed in Zwolle op eenenzeventigjarige leeftijd de schrijver en dichter mr. Rhijnvis Feith, die de dag ervoor nog zijn verjaardag had gevierd. Hij werd aanvankelijk begraven in de Grote of Sint-Michaëlskerk in Zwolle, maar een jaar later werd hij overeenkomstig zijn wens herbegraven op de Algemene Begraafplaats aan de Meppelerstraatweg in Zwolle.

Hier verheft zich boven zijn graf een obelisk (teken van standvastigheid en deugd) vol met symboliek: omgekeerde toortsen (het gedoofde leven), een olielampje (het eeuwige licht, een verwijzing naar de onsterfelijkheid van de ziel) en een gesluierde urn bovenop (de urn staat symbool voor rouw, met de rouwsluier wordt de buitenwereld buitengesloten). Op de achterzijde is Rhijnvis Feith in een medaillon en profil afgebeeld en onderaan staat de tekst te lezen:

AAN
Mr RHYNVIS FEITH
GEBOREN TE ZWOLLE
DEN 7 FEBRUARY 1753
EN
ALDAAR OVERLEDEN
DEN 8 FEBRUARY 1824

Op de voorzijde is in een medaillon een slang afgebeeld, die zichzelf in de staart bijt (symbool voor het oneindige leven en door de verstrengeling met de harp ook een symbool voor de eeuwige kunst) en een harp (symbool voor de schone kunsten). Onderaan wordt op een reliëf Rhijnvis Feith gelauwerd.

Op de dekplaat de door Rhijnvis Feith zelf geschreven tekst:

Dat alles wat ik was of had de dood vrij roove;
Gods waarheid wankelt niet, wie immer op haar bouw.
Ik geloof in Jesus, en ik stierf in dat gelove,
Mijn stof rust in dit graf op zijn verdienste en trouw.

Afb. 4. Mr. Rhijnvis Feith (1753-1824) op zijn portret door W.B. van der Kooi in 1820, waarop hij het onderscheidingsteken van Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw draagt – [1], Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=10793446