Geslacht Pauw van Wieldrecht: uitgestorven

Afb. De vier zusjes Pauw van Wieldrecht, met de drie laatste naamdragers, met van links naar rechts Jeanne Hermance (1919-1944), Emilie (1920-2018), Machteld (1923-2003 ) en Agnies (1929-2013) op de voorzijde van ‘Vin-je dat we een hoed op moeten?’, door Agnies Pauw van Wieldrecht.

Op 19 september 2018 overleed jonkvrouwe Emilie Pauw van Wieldrecht, vrouwe van Wieldrecht, douairière jonkheer dr. Emile Gerbrand Elias, als laatste telg van het geslacht Pauw van Wieldrecht. De familie was met het overlijden van haar vader, mr. Reinier ridder Pauw van Wieldrecht, in 1939 al in de mannelijke lijn uitgestorven, maar is dit nu ook in de vrouwelijke lijn.

Het geslacht Pauw gaat terug tot in 1296, toen voorvader Claes de Grebber aan het hoofd van de Westfriezen optrok om Floris V Graaf van Holland te bevrijden. Vanaf de 14e eeuw voerde de familie de naam Pauw en door een huwelijk in 1801 met een meisje Beelaerts kwam Wieldrecht in het bezit van de familie en werd dit onderdeel van de familienaam. In 1847 werden drie broers in de Nederlandse adel verheven met de titel ridder. Binnen de Nederlandse adel zijn er nu nog zeven adellijke geslachten over met de titel ridder.

“Het geslacht Pauw is heerszuchtig, zeer zelfbewust en gevreesd om zijn temperament”, schreef een geschiedschrijver eens. Het bracht vele personen voort die in de regionale en nationale geschiedenis van betekenis zijn geweest. In de 19e en 20ste eeuw waren leden jurist, diplomaat, burgemeester of kamerheer. Grote bekendheid verwierf jonkvrouwe Agnies Pauw van Wieldrecht (1929-2013) als schrijfster met haar fijnzinnig geschreven boekjes over een verdwenen adellijk taalgebruik en een verdwenen adellijke leefwereld. In 1906 ging het belangrijke Pauwenarchief door brand verloren, maar de familieportretten werden gelukkig grotendeels gered en vormen nu de tastbare herinnering aan de geschiedenis van dit uitgestorven geslacht.

Dierendag: het graf van het lievelingspaard van de Keizerin op Amerongen

Afb. Een verstilde plek in het kasteelpark van Amerongen met het paardengraf van Uranus.
Afb. Een verstilde plek in het kasteelpark van Amerongen met het paardengraf van Uranus.

Toen Keizer Wilhelm II in 1918 naar Nederland vluchtte, vond hij een gastvrij onderdak op kasteel Amerongen bij Godard graaf van Aldenburg Bentinck. Zijn echtgenote Keizerin Auguste Victoria voegde zich later bij hem. De vleugel-adjudant van de Keizer, Sigurd von Ilsemann (1884-1952), huwde de dochter des huizes, Elizabeth gravin van Aldenburg Bentinck (1892-1971) en zij kreeg van de Keizerin als blijk van erkentenis voor de genoten gastvrijheid op kasteel Amerongen in 1919 haar lievelingspaard Uranus cadeau.

Elizabeth was een groot dierenvriend en toen Uranus op 12 augustus 1935 overleed, kreeg hij een speciale laatste plek en werd hij begraven in het kasteelpark onder een gedenksteen:

URANUS
GEB. 1915 GEST. 12 AUG. 1935
LIEVELINGS PAARD VAN H.M. DE KEIZERIN
GESCHONKEN AAN MEVR. VON ILSEMANN
1919

Wie nu in het kasteelpark van Amerongen rondwandelt, vindt daar nog steeds het graf van Uranus in het midden van een buxuscirkel met een in obeliskvorm gesnoeide taxus achter zijn grafsteen.

Thuis heb ik nog een ansichtkaart: Rijnhuizen

Afb. De achterzijde van kasteel Rijnhuizen met zicht op de fraaie tuinaanleg. Ansichtkaart part. coll.
Afb. De achterzijde van kasteel Rijnhuizen met zicht op de fraaie tuinaanleg. Ansichtkaart part. coll.

Het kasteel Rijnhuizen in Utrecht in zijn huidige verschijningsvorm dateert uit de 17e eeuw, toen het door Reynoud van Tuyll van Serooskerken in de Hollands-classicistische stijl verbouwd werd, maar het huis vindt zijn oorsprong in de 14e eeuw. Na de Van Tuylls woonden hier de adellijke families Van Reede en De Geer.

Door het huwelijk van jonkvrouwe Ada Mathilda de Geer (1857-1943), vrouwe van Rijnhuizen, in 1880 met Gijsbert Carel Duco baron van Hardenbroek (1857-1902), heer van Lockhorst, kwam het huis in het bezit van dit geslacht. Hun kleindochter  verkocht Rijnhuizen in 1958 aan een stichting.

Op de ansichtkaart kijkt men op de achterzijde van het huis, waar grote kuipplanten en bloemperken het aangezicht verfraaien. En wie de man in het openstaande venster is? Vermoedelijk betreft het de huisknecht, die vanuit het raam van de grote zaal op deze zomerse dag de fotograaf gadeslaat.

Republiek van adel: monumentjes voor roemloze levens

Afb. Screenshot van het nieuwste blog van Conrad Gietman.

In zijn weblog Republiek van adel kijkt Conrad Gietman naar het adellijke leven in de vroegmoderne Noordelijke Nederlanden. Op dit blog blikt hij terug op de totstandkoming en conclusies van zijn proefschrift Republiek van adel. Eer in de Oost-Nederlandse adelscultuur (1555-1702) én meldt hij af en toe recent opgedoken bronnen en interessante nieuwe literatuur.

Zijn nieuwste bijdrage is nu hierop te lezen: https://republiekvanadel.wordpress.com/2018/09/29/monumentjes-voor-roemloze-levens/

Symposium Werkgroep Adelsgeschiedenis 12 en 13 oktober: nog enkele plekken vrij!

Afb. 1. Redmer Alma, voorzitter van de Werkgroep Adelsgeschiedenis. Foto met dank aan Jelte Oosterhuis.

Op 12 en 13 oktober organiseert de Werkgroep Adelsgeschiedenis  op Slot Zuylen het symposium ‘Life Roles and Representations /Adellijke Vrouwen: Levens en Representaties’. Voor dit symposium zijn nog maar enkele kaarten beschikbaar en wie dit niet wil missen, moet snel zijn. Lees meer over dit symposium en over hoe u zich hiervoor op kunt geven op http://www.adelsgeschiedenis.nl/index.php/nl/

In het nieuwste magazine van de Stichting Adel in Nederland staat een interview met Redmer Alma, voorzitter van de Werkgroep Adelsgeschiedenis. In dit interview vertelt hij onder meer over het waarom van een symposium over adellijke vrouwen:

Er zijn veel onderwerpen die je kunt aanpakken als thema voor een symposium en wij hebben altijd meer ideeën dan dagen in het jaar. De aanleiding voor dit symposium was het proefschrift van ons bestuurslid Sophie Reinders over alba amicorum (vriendenboeken) van adellijke vrouwen in de vroege 17de eeuw. Dat wees ons erop dat hier nog een heel interessant en niet eerder in die samenhang betreden terrein lag om te behandelen. En, ja, dan lag het ook voor de hand om dat te doen in het kasteel van de bekendste adellijke vrouw, Belle van Zuylen.”

Op de vraag waarom dit symposium een aanrader is, zegt hij:Zoals bij al onze symposia proberen we vooral een brug te slaan: op wetenschappelijk  onderzoek en inzicht gebaseerde verhalen, maar interessant en vernieuwend voor ieder die in adelsgeschiedenis geïnteresseerd is. Zoals altijd hebben we een breed uitgangspunt: geschiedenis, literatuur, kastelen, alle verschillende disciplines die bij adelsgeschiedenis van belang zijn, passeren de revue. En de locatie, Slot Zuylen, is natuurlijk ook prachtig en al een reden op zich om het symposium te bezoeken. Naast de inspirerende uitwisseling van ideeën, zal het op 12 en 13 oktober ook een feest moeten zijn om stil te staan bij wat de afgelopen 25 jaar verricht is en de toekomst in te slaan.”

Afb. 2. Slot Zuylen, de locatie voor dit bijzondere symposium.

 

Septembernummer magazine AiN: boordevol verhalen

Afb. Op de voorkant de broertjes Reint en Evert Lewe met de borg Ewsum. Naar aanleiding van de tentoonstelling Borgkinderen werd jonkvrouwe Catharina van Panhuys geïnterviewd over haar jeugdherinneringen aan de Fraeylemaborg.

De Stichting Adel in Nederland geeft voor haar donateurs een digitaal magazine uit, dat vier keer per jaar per mail wordt toegestuurd. Onlangs ontvingen de donateurs het septembernummer en ook dit keer staat het magazine met 56 pagina’s weer boordevol verhalen, informatie, een interview, nieuws over tentoonstellingen en genealogisch nieuws.

Afb. 2. Een gedeelte uit het interview met jonkvrouwe Catharina van Panhuys. Het hele interview kunt u lezen als u donateur wordt.

Inhoud
– Jeugdherinneringen van jonkvrouwe Catharina van Panhuys aan de Fraeylemaborg, door John Töpfer
– De sluier van Marie Boddaert, door Hanneke Eggels
– Tentoonstelling: de rouwborden De Malapert, door John Töpfer
– Jubileumsymposium Werkgroep Adelsgeschiedenis: interview met voorzitter Redmer Alma, door John Töpfer
– Bijeenkomst Ridderschap van Zeeland
– Republiek van Adel: Monumentjes voor roemloze levens, door Conrad Gietman
– Het verhaal bij een graf (7): Het graf van een Russische gravin in Brummen, door John Töpfer
– Bijeenkomst Raad van Advies AiN
– Kort nieuws
– Bijzonder verleden (3): De laatste freule van Leuvenum, door John Töpfer
– Geboren (met een babyfoto)
– Getrouwd (met meerdere huwelijksfoto’s)
– Overleden
– Vriendenpagina
– Agenda

Afb. 3. In het magazine staat ook het bijzondere levensverhaal van freule Mechteld Sandberg (1919-2014), de laatste freule van Leuvenum. Foto met hartelijke dank aan Natalie Overkamp.

Word nu donateur en ontvang ook het magazine
Bent u ook benieuwd naar dit digitale magazine? Voor 17,50 euro per jaar wordt u donateur en steunt u ons in onze werkzaamheden. U ontvangt dan vier keer per jaar het digitale magazine en krijgt voorrang bij door AiN georganiseerde excursies. Voor meer informatie mail naar nieuwsbrief@adelinnederland.nl.

Tussen Kunst en Kitsch: uniek glas met namen Friese adel

Afb. 1. Deskundige Kitty Lameris met het unieke glas voor zich. Screenshot met dank aan Tussen Kunst en Kitsch.

In het programma Tussen Kunst en Kitsch werd afgelopen woensdag een zeer bijzonder glas gepresenteerd uit het einde van de 16e eeuw. Het glas werd in Antwerpen gemaakt en is een ‘hensbeker’, die aan leden van een gezelschap werd doorgegeven, waarbij het glas in één keer leeggedronken moest worden.

Wat het glas extra bijzonder maakt, zijn de namen van Friese edelen die erin gegraveerd zijn, waaronder enkele dames, zoals Cammingha, Botnia, Heerma, Walta, Dekema, Juckema, Burmania en Grovestins. Het glas werd door deskundige Kitty Laméris getaxeerd op 85.000 euro.

Link naar de uitzending online https://www.uitzendinggemist.net/aflevering/449059/Tussen_Kunst_En_Kitsch.html

Afb. 2. Het glas, met in de bovenrand de gegraveerde namen van Friese edelen. Screenshot met dank aan Tussen Kunst en Kitsch.

 

Zondag 30 september: laatste bezoekmogelijkheid ‘Winters in Brussel’ op kasteel d’Ursel

Afb. 1. Kasteel d’Ursel werd in 1761 en 1765 door de Italiaanse architect Servandoni in classicistische stijl aangepast en verkreeg toen de huidige verschijning.
Afb. 2. Het affiche van de tentoonstelling met de voorgevel van het stadspaleis van de hertogen D’Ursel in Brussel.

Op het kasteel d’Ursel in Hingene bij Antwerpen is zondag 30 september de laatste bezoekmogelijkheid van de tentoonstelling, waarop het verhaal verteld wordt van het verdwenen Hôtel d’Ursel, het stadspaleis van de hertogelijke familie D’Ursel.

Net als zovele adellijke families leefden de hertogen D’Ursel mee op de getijden van de seizoenen en brachten eeuwenlang de zomers door op hun kasteel d’Ursel in Hingene en de winters in hun stadspaleis in Brussel. Het huis kende sinds de aankoop in 1590 niet alleen een rijke geschiedenis, maar ook een zeer rijk interieur. Lang bleef het samen met zijn bewoners als een anachronisme tot in de 20e eeuw moedig in stand, in een stad en een wereld die zich in hoog tempo moderniseerden. Uiteindelijk deden erfenisverdelingen en successierechten hun werk en werd het verkocht om in 1960 onder de slopershamer ten onder te gaan.

Op deze tentoonstelling tonen interieurfoto’s, documenten, maquettes, bouwtekeningen, portretten en voorwerpen het grootse verdwenen verleden en interieur van dit stadspaleis. In de begeleidende teksten komen ook de vroegere bewoners aan het woord, zoals Hedwige markiezin de Maupeou-Monbail née gravin d’Ursel (1902-1987), dochter van de 7e hertog d’Ursel. Melancholisch schrijft zij kort voor de afbraak: ‘Elke ochtend, als ik wakker werd, keek ik naar het groene damast, de vergulde lambriseringen, de fijne decoratie die binnenkort zouden verdwijnen. Ze hebben zoveel van onze generaties voorbij zien komen en wij zijn de laatste. Door de grote geschiedenis, die sterker is dan wij, moeten wij hun opgeven…. En elke dag hield ik er een beetje meer van.’

Afb. 3. Een maquette van de voorgevel van het Hôtel d’Ursel in de grote salon van kasteel d’Ursel in Hingene met zijn unieke roze Chinese behang.

De Nederlandse adel kent op dit moment geen leden met de titel van hertog, maar onder Koning Willem I werden er drie hertogen in de Nederlandse adel opgenomen: De Beaufort-Spontin, De Looz-Corswarem en D’Ursel. Hun nakomelingen kozen in 1830 na de Belgische afscheiding voor de Belgische nationaliteit en gingen daardoor deel uitmaken van de Belgische adel, maar formeel behoren zij ook nog steeds tot de Nederlandse adel.

Afb. 4. De grote salon in het verdwenen Hôtel d’Ursel in Brussel, één van de vele fraaie foto’s op deze tentoonstelling.

Eén van deze drie was Charles Joseph hertog d’Ursul (1777-1860). Hij werd grootmeester van Koningin Wilhelmina, de echtgenote van Koning Willem I. In 1830 stond hij bekend als zeer orangistisch en zijn huis in Brussel werd door het opstandige volk geplunderd. Hij zocht zijn toevlucht in zijn zomerverblijf kasteel d’Ursel in Hingene en schreef: ‘Ik heb een grote weerzin om opnieuw voet in Brussel te zetten en ik ben niet meer in het huis geweest sinds ik er verjaagd ben door een bende plunderaars.’ Uiteindelijk koos hij in 1830 voor de Belgische nationaliteit en zijn nakomelingen leven nog steeds voort in de Belgische adel, waarbij de Chef de Famille de titel van hertog heeft en de overige leden de titel graaf/gravin voert.

Afb. 5. Portretten en voorwerpen uit het verdwenen Hôtel d’Ursel in Brussel.

In 1973 werd het kasteel d’Ursel verkocht door de 8e hertog. Sinds 1994 is het kasteel in het bezit van de provincie, die het restaureerde en er sindsdien succesvol vele activiteiten organiseert. In 2009 keerde een belangrijk deel van de oorspronkelijk inrichting terug dankzij een bruikleen van de 10e hertog: duizenden boeken en verder portretten, meubelen en siervoorwerpen.

Let op: voor individueel bezoek is de tentoonstelling en het kasteel alleen nog op zondag 30 september tussen 13.00 en 18.00 uur te bezichtigen.

Link naar de website van kasteel d’Ursel voor meer informatie https://www.kasteeldursel.be/bezoek/winters-in-brussel–de-stadsresidentie-van-de-familie-d-ursel–1.html.

Voor wie niet in de gelegenheid is om de tentoonstelling te bezoeken: AiN bezocht de tentoonstelling en in één van de komende uitgaven van het digitale magazine van de Stichting Adel in Nederland (AiN) komt een uitgebreide reportage in woord en beeld over kasteel d’Ursel en deze tentoonstelling te staan. Door voor 17,50 euro per jaar donateur van AiN te worden, ontvangt u dit jaar vier keer het digitale magazine in uw mailbox. Daarnaast ontvangt u als donateur voorrang bij door AiN georganiseerde excursies. Meer weten? Mail naar nieuwsbrief@adelinnederland.nl.

Afb. 6. Het toegangshek met in de verte het kasteel d’Ursel in Hingene.

Skeltemania in Schettens: kolonel Schelte van Aysma herleeft

Afb. Skeltemania: een muziektheaterstuk over de Friese edelman Schelte van Aysma (1578-1637).

Aanstaande vrijdag en zaterdag (28 en 29 september) zijn er twee extra voorstellingen van Skeltemania.

Skeltemania is een muziektheaterstuk over de Friese edelman Schelte van Aysma (1578-1637) en speelt zich grotendeels af op de oorspronkelijke plaats van zijn kasteel in Schettens.
De herontdekking van de helm in 2016, de vondst van de grafkelder in 2017 en het DNA onderzoek en herbegrafenis leidde tot een heuse ‘skeltemania’.

In de voorstelling wordt het leven van kolonel Schelte van Aysma en zijn vrouw Tjempck van Osinga fantastisch gespeeld door twee professionele acteurs en vele amateurspelers.
Na de één uur durende voorstelling op Osinga State gaan alle bezoekers mee in een rouwstoet naar de kerk van Schettens. Daar speelt de laatste scene zich af, waar zich een verrassend slot aandient.

Tot slot is er een SkelteMuseum ingericht, waar alle opzienbarende gebeurtenissen van de afgelopen jaren nog eens kunnen worden beleefd. Tevens is daar een prachtig 7 minuten durend filmpje over de edelman te zien.

Voor meer informatie zie www.skeltemania.nl

De afstamming van de familie Van Lockhorst: overlevering en feit

Baron Van den Bogaerde van Terbrugge op kasteel Heeswijk had een grote fascinatie voor zijn voorouders en hield zich intensief bezig met stamboomonderzoek. Zo was één van zijn overgrootmoeders jonkvrouwe Anna Hermina Geertruijda Jacoba van Lockhorst (1802-1875) en nog heden getuigt een indrukwekkende, speciaal voor hem vervaardigde stamboom van een rechtstreekse afstamming van de Lockhorsten, die teruggaat tot een voorvader die in het jaar 992 overleed.

Afb. Ridder Adam van Lockhorst op de stamboom van het geslacht Van Lockhorst, coll. kasteel Heeswijk.
Afb. Ridder Adam van Lockhorst op de stamboom van het geslacht Van Lockhorst, coll. kasteel Heeswijk.
Afb. 2. Het familiewapen Van Lockhorst.
Afb. 2. Het familiewapen Van Lockhorst.

De oudste jaargangen van het Nederland’s Adelsboek namen deze afstamming over, maar in latere uitgaven is de stamreeks onthoofd, omdat deze niet bewezen kon worden en sindsdien wordt de 16e eeuwse Jan Berenszoon als stamvader genoemd. Zijn nakomelingen waren bierbrouwers en plaatselijke notabelen, eerst in Weesp en later in Rotterdam, en zijn achterkleinzonen namen na 1631 de naam Van Lockhorst aan – zonder dat tot op heden duidelijk is waarom zij dit deden en waarop dit gebaseerd was.

Afb. 3. Barent ridder van Lockhorst, heer van Toll, Venhuizen en Bonlez (1771-1831), coll. kasteel Heeswijk.
Afb. 3. Barent ridder van Lockhorst, heer van Toll, Venhuizen en Bonlez (1771-1831), coll. kasteel Heeswijk.

In 1816 verzocht Barent van Lockhorst, heer van Toll en Venhuizen (1771-1831) om erkend te worden in de Nederlandse adel met de titel van baron. Vier jaar eerder had hij bij een notaris een indrukwekkende acte laten opstellen in aanwezigheid van prominente getuigen, waaronder een vice-admiraal en twee oud-burgemeesters, waarin dezen verklaarden dat Barent in het bezit was van de titel van baron, uit ‘eene der oudste en aanzienlijkste’ geslachten stamde en dat al zijn kinderen ‘zonder het onderscheid van eerstgeboorte, den titel van hun vader voerden’. Juist wegens de oudheid van dat aanzien konden er echter geen diploma’s worden overlegd.

Het mocht niet baten: het verzoek om erkenning van oude adeldom voor Barent van Lockhorst werd afgewezen, maar wel werd hij in de Nederlandse adel verheven met de clausule van erkenning wanneer er toch bewijs van oude adeldom geleverd werd en kreeg hij in 1828 de titel van ridder. En of het voor hem veel uitmaakte? Maatschappelijk gezien ging het hem voor de wind en hij werd raad van Rotterdam en kocht het kasteel van Bonlez met vier imponerende hoektorens in Brabant. Zijn oudste dochter huwde eerst een baron en daarna een hertog, de jongste dochter huwde een prins en zijn zoon huwde een prinses.

De familieoverlevering bleef echter bestaan, ook nadat de Van Lockhorsten in 1921 uitstierven. Baron Van den Bogaerde was van deze beweerde oeroude afstamming zó onder de indruk, dat hij in de jaren 1923-1926 pogingen deed om de naam Van Lockhost aan zijn eigen familienaam toe te voegen. Dit lukt echter niet, maar wat bleef, is een fraaie stamboom met daarop een mythische ridder als stamvader die in het jaar 992 stierf.

Bovenstaand verhaal stond in de juni uitgave van het digitale magazine van AiN, dat onze donateurs vier keer per jaar krijgen toegestuurd per mail. Wilt u dit ook ontvangen?  Voor 17,50 euro per jaar steunt u ons in onze werkzaamheden, ontvangt u vier keer per jaar ons digitale magazine boordevol verhalen en informatie, en krijgt u voorrang bij en korting op onze excursies. Mail voor meer informatie naar info@adelinnederland.nl.