Het verhaal bij het portret van Ottelina Cornelia Cort van der Linden née jonkvrouwe Sickinghe (1895-1975) – het leven van een burgemeestersvrouw

a28
Afb. Vorig jaar werd dit portret op een veiling aangeboden, dat bij één van de volgers van AiN een goed onderkomen vond. Hier het bijbehorende levensverhaal.

AFKOMST
Jonkvrouwe Ottelina Cornelia Sickinghe werd geboren op 13 augustus 1895 te Arnhem. Haar vader, jonkheer Agathon Gerard Sickinghe, was een telg uit een oud-adellijk Groninger geslacht van bestuurders, waarvan de stamvader Lubbert Sickinghe in 1354 als burgemeester van Groningen genoemd werd. In 1814 werd een voorvader benoemd in de Ridderschap van Groningen en sindsdien voerden hij en zijn nakomelingen het predicaat van jonkheer/jonkvrouwe. Haar moeder, Elisabeth Jacoba Lucia Margaretha Geisweit van der Netten, stamde uit de Haagse familie Van der Netten. Door het huwelijk in 1757 van haar voorvader mr. Justinus Cornelis van der Netten (1729-1780), die onder meer advocaat voor het Hof van Holland was, met Antonia Geisweit, telg uit een geslacht van burgemeesters en predikanten, werd deze naam toegevoegd aan de familienaam.

JEUGDJAREN
Zij groeide de eerste jaren op in Arnhem aan de Schoolstraat nr. 77 met een zusje dat drie jaar ouder was en vijf jaar na haar geboorte werd het gezin nog uitgebreid met een broertje. Haar vader was luitenant-adjudant bij het Korps Rijdende Artillerie en na zijn benoeming tot ordonnans-officier van H.M. Koningin Wilhelmina verhuisde het gezin naar ’s-Gravenhage, waar het aan de Rijnstraat nr. 34 ging wonen. Vervolgens woonde het gezin enkele jaren in Utrecht vanwege terugkeer bij de ‘Rijers’, tot haar vader in 1912 benoemd werd tot kapitein-adjudant van H.M. Koningin Wilhelmina en het gezin aan de Groot Hertoginnelaan nr. 22 in ’s-Gravenhage ging wonen. Haar vader had in de jaren die volgden een glansrijke hofcarrière en werd achtereenvolgens kamerheer, eerste kamerheer-ceremoniemeester, eerste kamerheer, waarnemend hofmaarschalk en eerste kamerheer-honorair. Als militair bereikte hij de rang van luitenant-generaal titulair. Het familieboek zegt over hem: “Economisch gezien had Vader voor zijn positie, vooral in de latere jaren, eigenlijk te weinig fortuin, om met grote allure zijn rol te kunnen spelen. Vooral na de Tweede Wereldoorlog heeft hem dit veel parten gespeeld.”

HUWELIJK
Op 18 april 1918 huwde jonkvrouwe Ottelina Cornelia Sickinghe op tweeëntwintigjarige leeftijd mr. Willem Pieter Jacob Henri Cort van der Linden, die vierentwintig jaar oud was. Hij werd geboren op 19 augustus 1893 te Hilversum als zoon van mr. Pieter Wilhelm Adriaan van der Linden en Johanna Cornelia de Koning. Zijn vader was de bekende staatsman die in de jaren 1913-1918 minister-president was en vanaf 1915 Minister van Staat. De dubbele achternaam was ontstaan door het toevoegen van de familienaam van een overgrootmoeder Cort. In 1921 werd hem het Ridder-Grootkruis in de Pius Orde verleend, waaraan erfelijk adeldom was verbonden, zodat hij en zijn nakomelingen zich als ‘nobile’ tot de pauselijke adel konden rekenen.

Haar echtgenoot had rechten gestudeerd in Leiden en na zijn huwelijk vestigde hij zich als advocaat in ’s-Gravenhage. Hier woonden zij aan de Delistraat nr. 38. Op 12 maart 1919 werd hier hun zoon Pieter Wilhelm Adriaan Gijsbertus geboren, gevolgd door hun dochter Elisabeth Jacoba Lucia Margaretha op 28 juli 1921. In 1926 verhuisde het gezin naar de Groenhovenstraat nr. 8. Haar echtgenoot was inmiddels algemeen secretaris van het Verbond van Nederlandse Werkgevers geworden tot hij in 1934 benoemd werd tot burgemeester van Groningen en het gezin hierheen verhuisde. Voor het zover was, werd er eerst afscheid genomen van haar echtgenoot als algemeen secretaris in Hotel Twee Steden in ‘s-Gravenhage, waarbij zij grote manden met bloemen kreeg overhandigd.

BURGEMEESTERSVROUW IN GRONINGEN
Op maandag 1 oktober 1934 vond de installatie plaats van haar echtgenoot in de buitengewone vergadering van de gemeente Groningen, waarbij de gehele raad voltallig aanwezig was en alleen de beide communisten ontbraken. In de krant viel over zijn toespraak te lezen: “De nieuwe burgemeester wees er op, dat hij bij het aanvaarden van deze belangrijke functie afscheid heeft genomen van een betrekking, die hij meer dan 16 jaren vervulde. In die betrekking is hij zeer nauw betrokken geweest in de phaenomenale ontwikkeling der sociale wetgeving, die de jaren na den oorlog kenmerkte, zoodat ook zijn adviezen zich over een breeden strook van het maatschappelijke leven uitstrekten. De nood der tijden bracht ook hierin verandering; de ontwikkeling der sociale wetgeving maakte plaats voor den economischen strijd van ons geheele land voor bloot zelfbehoud. Tegelijk met deze verandering in den aard van zijn werk verlevendigde het rijpen der jaren de zucht naar een meer zelfstandigen en verantwoordelijken werkkring. Het was een reden van groote blijdschap voor den heer Cort van der Linden, dat hem niet alleen het burgemeestersambt in een der grootste steden van ons land werd aangeboden, maar nog wel dat van Groningen. Want traditie en eigen ervaring maakten reeds vroeg, dat deze stad hem bijzonder lief is. De jaren, die zijn ouders als ingezetenen van Groningen hebben doorgebracht, zijn de gelukkigste geweest van hun leven. Ook in het hart van zijn schoonouders neemt Groningen een groote plaats in, daar zijn vrouw uit een oud Groningsch geslacht stamt, waarvan niet minder dan elf leden achtereenvolgens de plaats innamen, die de nieuwe burgemeester thans inneemt.” Als burgemeestersvrouw wachtte haar een druk bestaan, want nadat het gezin een statig pand aan het Zuiderpark nr. 2 had betrokken, werd er gedurende twee middagen een receptie gegeven voor de burgers van Groningen: “Receptie bij den burgemeester van Groningen – Ons wordt verzocht te berichten, dat de burgemeester van Groningen en mevrouw Cort van der Linden-Sickinghe te hunnen woonhuize Zuiderpark 2, zullen ontvangen op Zondag 2 en op Zondag 9 December des namiddags van 3 tot 6 uur.” In de jaren daarna had zij haar vaste ontvangdag op de eerste en derde donderdag van de maand, waarbij zij vanaf ’s middags half vier de Groningse dames ontving. Dit gebruik werd zelfs na de Tweede Wereldoorlog nog jaren voortgezet. Ook op andere gebieden was zij actief als burgemeestersvrouw. Zo werd zij:

  • ere-presidente afdelingen Groningen van de Vereniging Tesselschade
  • ere-presidente van het comité van Groningse vrouwen voor het aanbieden van een huwelijksgeschenk ter gelegenheid van het huwelijk van H.K.H. Prinses Juliana
  • ere-presidente Comité ‘Blijde gebeurtenis in het Prinselijk Gezin’
  • ere-presidente van de Groninger Vrijwillige Vrouwen Hulp
  • ere-presidente van het comité voor de propaganda van de verkoop van zomerpostzegels
  • ere-presidente Nederlandse Bond voor Ziekenverpleging afdeling Groningen
  • ere-voorzitster Commissie voor Vrouwelijke Hulpverlening voor de stad Groningen
  • beschermvrouwe van de Brunhilde-dames
  • bestuurslid van de Industrie-school voor Meisjes
  • lid commissie financiën van het Algemeen Comité voor de stad Groningen ter voorbereiding van de huldiging van het a.s. huwelijk van H.K.H. Prinses Juliana en Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld
  • lid van een comité dat tot doel had ‘om taak en werkwijze der zending uiteen te doen zetten door daartoe alleszins bevoegde sprekers’ over de zending in Indië

Via een ingezonden brief deed zij aanbeveling voor de collecte ten bate van vakantieoorden voor de huisvrouwen van alle gezindten namens de Commissie voor Huishoudelijke Voorlichting en Gezinszorg: “Wie onzer beseft niet hoezeer ook de huisvrouw juist in de moeilijke tijdsomstandigheden , waarin wij leven, vacantie nodig heeft, om geestelijk en lichamelijk weer voor de verzorging van haar gezin te kunnen staan. Laten we hopen, dat er dit jaar vele collectanten zullen zijn, opdat zeer vele huisvrouwen in staat zullen worden gesteld om elk in eigen geestelijken sfeer, nieuwe krachten op te doen voor haar dagelijkse taak. Geeft allen met milden hand. O.C. CORT VAN DER LINDEN-SICKINGHE.”

Speciale aandacht had zij voor het Koninklijk Huis. Zo werd zij in 1936 lid van de commissie financiën van het Algemeen Comité voor de stad Groningen ter voorbereiding van de huldiging van het a.s. huwelijk van H.K.H. Prinses Juliana en Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld en werd zij in hetzelfde jaar ter gelegenheid van het huwelijk van H.K.H. Prinses Juliana ere-presidente van het comité van Groningse vrouwen voor het aanbieden van een huwelijksgeschenk. Besloten werd “… dat de Groningsche vrouwen zullen aanbieden linnen tafelgoed in meer uitgebreiden vorm, als onderdeel van het groote nationale geschenk. Het zal versierd worden met kant, gemaakt door de kantschool ‘Het Molenwiekje’ te Hoorn. Kant en linnen zullen tot één geheel vervaardigd worden op de Industriescholen alhier.” De keuze voor deze industriescholen lag voor de hand, want zij zat zelf in het bestuur hiervan. In 1937 richtte haar echtgenoot het Comité ‘Blijde gebeurtenis in het Prinselijk Gezin’ op, die tot doel had baby-uitzetjes te verstrekken aan moeders die in dezelfde periode in gelijke omstandigheden verkeerden en voor uitdeling in aanmerking kwamen. Zij werd hiervan vervolgens ere-presidente. Toen Prins Bernhard in 1938 het beschermheerschap van de Provinciale Vereniging ter Bevordering van de Paardenfokkerij in Groningen op zich nam en naar Groningen kwam, was zij hierbij aanwezig en kreeg bij deze gelegenheid als burgemeestersvrouw bloemen overhandigd. Ter gelegenheid van de geboorte van een vorstelijk kind werd zij in 1945 lid van een comité en namens dit comité schreef zij in de krant: “Onze groote vreugde over de komende geboorte van het vorstelijk kind, willen wij toonen door vele moeders van een gelijktijdig geboren kindje, met wat babygoed gelukkig te maken. Aan allen die hieraan reeds hebben medegewerkt en ons comité met een mooi pakje hebben verblijd, willen wij onze hartelijken dank betuigen. Tot 28 December blijft de gelegenheid om Uwe gave te zenden aan het Bureau van de U.V.V. , Roode Weeshuisstraat 11, tusschen 2 en 5 uur. Op Zaterdagmiddag 21 December is er gelegenheid de binnengekomen kleertjes te bezichtigen, waarna alles naar Soestdijk zal worden opgezonden.”

Bij vele gelegenheden gaf zij als burgemeestersvrouw acte de présence, zoals bij de opening van een tentoonstelling van de Kantklosvereniging ‘Het Molenwiekje’, Ook was zij met haar echtgenoot jarenlang te gast bij de Nijjoarsveziede van de Vereniging Grönneger Sproak, waar zij in 1938 in het bijzonder hartelijk welkom werden geheten, “… doch zij wisten reeds uit ondervinding hoe gezellig de Nijjoarsviziedes zijn.” Daarnaast waren er premières zoals de gala-première van de opera-opvoering van ‘Saskia’ door de Groningse studenten in 1939, maar ook de Vereeniging tot Oprichting en Instandhouding eener Openbare Leeszaal en Boekerij in Groningen mocht op haar warme belangstelling rekenen, want in 1937 deed zij hieraan een schenking.

OORLOGSJAREN
In 1940, een maand nadat Nederland bezet was, was zij aanwezig bij de officiële plechtigheid van de oprichting van de ‘Gronob’, de Groninger Noodbeurs der vertegenwoordigers van Handel en Industrie, waarover in kranten geschreven werd: “Het is prettig te constateeren, dat ondanks de moeilijke omstandigheden, de Groningers niet bij de pakken neerzitten, maar met frisschen moed trachten het hoofd boven water te houden.” De oorlog had grote gevolgen voor hun leven, want op 3 september 1942 werd haar echtgenoot als burgemeester ontslagen. Samen met haar echtgenoot dook zij uiteindelijk onder op een boerderij in Maarn. In de Hongerwinter van 1944/45 kwam zij op 2 maart helemaal per fiets hier vandaan naar ’s-Gravenhage om haar ouders te bezoeken, die hun huis hadden moeten verlaten en ingekwartierd zaten in een pension. Haar broer, jonkheer ir. Pieter Onno Rembt Sickinghe, gaf haar het advies de volgende morgen heel vroeg te vertrekken in verband met bombardementen, die vaak in de ochtenduren waren. Op 3 maart fietste zij ’s ochtends om 8.00 uur door het Bezuidenhout-Kwartier. Een uur later begon het verwoestende bombardement, die deze hele wijk verwoestte. Als door een wonder ontsnapte zij hieraan

Op 5 mei 1945 werd haar echtgenoot opnieuw benoemd tot burgemeester van Groningen en hervatte het burgemeestersleven weer. Even was er nog sprake van dat hij burgemeester van ’s-Gravenhage zou worden, maar Koningin Wilhelmina hield deze benoeming tegen, omdat zij hierover niet geïnformeerd was en dit uit de krant had moeten vernemen. Terwijl haar echtgenoot zich vooral richtte op de wederopbouwplannen van de verwoeste stadskern van Groningen had zij opnieuw haar ontvangmiddagen op de eerste en derde donderdag van de maand. Zij was weer representatief aanwezig bij de opening van tentoonstellingen, zoals die van Italiaanse tekeningen uit de 14e tot de 17e eeuw, of bij het jubileum van de koorleider van het kerkelijk zangkoor van de Ned. Hervormde Gemeente in Groningen, waarbij zij de receptie bezocht, of zij bezocht een lezing van de Nederlandse Bond van Vrouwen werkzaam in Bedrijf en Beroep van de afdeling Groningen, waar een majoor van het Leger des Heils sprak over maatschappelijk werk. In deze jaren waren er ook heuglijke familiegebeurtenissen. Zo huwde hun dochter in 1948 Constantijn Leopold van Panthaleon baron van Eck en hun zoon huwde in 1950 een meisje Thomassen. In 1949 werd hun eerste kleinkind geboren, dat naar haar werd vernoemd: Otteline Cornelia van Panthaleon barones van Eck.

JAREN IN ’S-GRAVENHAGE EN WASSENAAR
Per 1 juni 1951 kwam er aan hun jaren in Groningen een einde, omdat haar echtgenoot benoemd werd tot lid van de Raad van State. Bij zijn afscheid werd hem veel lof toegezwaaid, terwijl hij bij zijn aantreden juist met reserves werd tegemoet getreden, vanwege zijn liberale achtergrond. Zij verhuisden toen naar ’s-Gravenhage, waar zij aan de Alexander Gogelweg nr. 41 gingen wonen.

Op 26 november 1953 werden zij door groot verdriet getroffen door het overlijden van hun dochter op tweeëndertigjarige leeftijd: “Tot onze droefheid is heden van ons heengegaan onze innig geliefde Dochter en Zuster Vrouwe ELISABETH JACOBA LUCIA MARGARETHA VAN PANTHALEON baronesse VAN ECK-Cort van der Linden.” Zij liet een echtgenoot achter en twee kinderen: de vierjarige Ottelientje en de tweejarige Reinier.

Uiteindelijk verhuisden zij naar Wassenaar naar de Berkenlaan nr. 3 en hier kwam haar echtgenoot op 18 maart 1969 op vierenzeventigjarige leeftijd te overlijden: “Heden nam God tot Zich mijn dierbare man, onze lieve vader, behuwdvader en grootvader Mr. Pieter Willem Jacob Henri Cort van der Linden oud-lid van de Raad van State, oud-burgemeester van Groningen, commandeur in de Orde van Oranje-Nassau, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.” De begrafenis vond in stilte plaats. In de Groninger gemeenteraad werd haar echtgenoot herdacht “… als een man van grote bestuurlijke kwaliteiten en als een gaaf Nederlander, wiens onverzettelijke houding tijdens de oorlogsjaren grote bewondering afdwong. ‘De heer Cort van der Linden heeft zijn burgemeesterschap van Groningen in de jaren 1934-1951 met grote voldoening vervuld, zo is mij herhaaldelijk uit persoonlijke contacten gebleken’, aldus de heer Berger’”, de toenmalige burgemeester van Groningen. Hierna nam de raad een ogenblik stilte in acht.

OVERLIJDEN
Zes jaar later kwam zij op tachtigjarige leeftijd te overlijden, nadat zij de laatste jaren aan de Schout bij Nacht Doormanlaan nr. 23 gewoond had: “Op 28 november ging, tot onze diepe droefheid, van ons heen onze dierbare Moeder, Schoonmoeder en Grootmoeder Jonkvrouwe OTTELINA CORNELIA SICKINGHE weduwe van Mr. P.W.J.H. CORT VAN DER LINDEN.” Haar begrafenis vond op haar eigen verzoek in besloten familiekring plaats op de Nederlands Hervormde Begraafplaats in Wassenaar.