Geboren: Overtoom

Afb. Het familiewapen De Savornin Lohman.

Maes Bon Lucas Overtoom, geboren Amsterdam 13 augustus 2018, zoon van Alexander Jan Overtoom en Maria Jacoba Hendrika (‘Marietje’) Overtoom née jonkvrouwe de Savornin Lohman.

De familie Snouck Hurgronje, door jonkheer mr. Dolph Boddaert

Afb. 1. Het familiewapen Snouck Hurgronje. Foto met dank aan de Hoge Raad van Adel.

In 1645 vestigde Jean Hurgronje uit Saint Venant zich vanwege zijn geloof in Vlissingen. Saint Venant ligt 30 kilometer van de Belgische grens; in de twaalfde eeuw heette het nog Papingehem.

Zijn zoon Isaac Hurgronje (1652 – 1706) was koopman, participant in een kaapvaartrederij, bewindhebber van de VOC, vendumeester van de admiraliteit in Zeeland en burgemeester van Vlissingen. Hij trouwde op 9 januari 1680 in Vlissingen met Josina Phoenix, uit welk huwelijk dertien kinderen geboren werden, van wie er vier al jong overleden. De overige negen kinderen behoorden in de 18e eeuw allen tot het Zeeuwse regentenpatriciaat. Van deze negen kinderen hebben er slechts drie voor nageslacht gezorgd, te weten de zoon Phenix (families Huyssen van Kattendijke en Boddaert), de zoon Jacob (familie Snouck Hurgronje) en de dochter Cornelia Machelina (familie Grothe)

Jacob Hurgronje (1694 – 1759) trouwde in 1734 met Erkenraad Snouck; hun zoon Steven Matthijs (1741 – 1788) verkreeg bij akte voor de schepenen van Vlissingen in 1762 de naam Snouck Hurgronje. Uit zijn huwelijk met Anna Catharina Elias stammen twee zoons, Jacob Lodewijk en Adriaan Isaac

De oudste zoon Jacob Lodewijk Snouck Hurgronje (1778 – 1845), eerste griffier van de Staten van Zeeland en lid van de Tweede Kamer, werd bij Koninklijk Besluit van 10 december 1843 verheven in de Nederlandse adel. Het betrof een verheffing zonder voorafgaand verzoek, door koning Willem II uit eigen beweging (proprio motu) verleend “op grond van de diensten door leden van zijn geslacht sinds vele jaren aan de staat bewezen”. Hij was de stamvader van de oudste tak Snouck Hurgronje, die in 2017 is uitgestorven.

De jongste zoon Adriaan Isaac Snouck Hurgronje (1780 – 1849) was predikant, laatstelijk in Middelburg. Uit zijn eerste huwelijk met Anna van Citters had hij vijf kinderen, van welke alleen twee zoons nageslacht hadden, te weten Aernout Marinus, en Jacob Julianus. Uit zijn tweede huwelijk met Johanna Lambrechtsen had hij zeven kinderen, van welke slechts één zoon, Nicolaas Johan, en een dochter Digna Henrietta (familie van Doorn) nageslacht had.

Noch Adriaan Isaac, noch zijn drie genoemde zoons, hebben na de verheffing van hun broer en oom destijds aanleiding gezien om ook een verzoek tot verheffing in de adel in te dienen. Gezien hun afstamming uit een vooraanstaand regentengeslacht en de status van hun familie in de 18e en de eerste helft van de 19e eeuw waren zij hiervoor zeker in aanmerking gekomen. De vraag is waarom zij dat niet gedaan hebben. Maar deze reden is niet ver te zoeken, zoals hierna zal blijken.

Aernout Marinus (1810 – 1864) was evenals zijn vader predikant. Uit zijn huwelijk met Jacoba Elisabeth Schorer stamt een tak, waarvan de laatste mannelijke telg in Engeland woont en alleen dochters heeft. Te verwachten valt dat deze tak zal uitsterven.
Jacob Julianus (1812 – 1870) was ook predikant, laatstelijk in Tholen. Hij was getrouwd met Adriana van Adrichem. Maar in 1849, het sterfjaar van zijn vader, begon hij een verhouding met de dochter van een collega – predikant, Anna Maria de Visser. Hij werd om die reden uit zijn ambt als predikant ontzet en het liefdespaar ging enige tijd in Engeland wonen. Echtscheiding was in die tijd in die kringen niet aan de orde. Pas na het overlijden van Anna van Adrichem in 1854 hertrouwde hij met Anna Maria. Hij werd toen weer bevestigd als predikant, ditmaal in Oosterhout. Uit het eerste huwelijk stamt de huidige Nederlandse familie Snouck Hurgronje. Uit het tweede huwelijk werd de meest beroemde telg van de familie geboren, professor Christiaan Snouck Hurgronje.

De derde zoon, Nicolaas Johan (1822 – 1893) was de stamvader van een tak, die thans alleen nog in de Verenigde Staten en Zweden gevestigd is.

Het lijkt wel zeker dat de buitenechtelijke escapade van Jacob Julianus in die tijd voor hem aanleiding is geweest om een verzoek tot verheffing achterwege te laten. Het is verder aannemelijk dat hetzelfde gold voor zijn broers. Het was bekend, dat in de adviezen van de Hoge Raad van Adel van die tijd streng werd gelet op de zakelijke en morele levenswandel van de betrokkenen. Een faillissement, een echtscheiding, een buitenechtelijke affaire of zelfs het krijgen van een kind binnen 9 maanden na de voltrekking van het huwelijk kon al voldoende zijn voor een negatief advies, niet alleen voor de betrokkene, maar mogelijk ook voor zijn naaste familieleden.

In de twintigste eeuw speelden de huwelijksperikelen van Jacob Julianus blijkbaar geen rol meer. In de dossiers met betrekking tot de latere verheffingen is er geen woord over te lezen.

Willem Johan (1848 – 1912), zoon van Aernout Marinus, werd bij K.B. van 1 augustus 1911 verheven ”op grond van de afstamming uit een aanzienlijk regentengeslacht”.

Afb. 2. Jonkvrouwe Ulrica Maria Catharina Snouck Hurgronje (1883-1967), dochter van de hierboven genoemde jonkheer mr. Willem Johan Snouck Hurgronje (1848-1912), die in 1911 in de Nederlandse adel werd verheven. Zij huwde in 1905 Otto Leopold baron Bentinck (1879-1930), die kamerheer i.b.d. was van Koningin Wilhelmina. V.l.n.r. hun kinderen Anna Maria, Berend Willem, Constant Adolph en Jacoba Elisabeth. De foto werd gepubliceerd in De Prins in 1913. In het onderschrift wordt vermeld dat barones Bentinck met haar kinderen de Koninklijke familie in het buitenland vergezeld, waarbij de kinderen speelkameraadjes van Prinses Juliana zullen zijn. Foto part. coll.

Jacob Julianus (1870 – 1933), kleinzoon van zijn gelijknamige grootvader en koopman in Soerabaja, werd op dezelfde grond verheven bij K.B. van 18 juli 1912, maar niet dan nadat over hem inlichtingen waren ingewonnen. De voorzitter van de Raad, baron de Vos van Steenwijk vond deze inlichtingen nodig: “Koopman is een begrip dat heel wat kan omvatten”, aldus de Vos van Steenwijk. De resident van Soerabaja, de heer Einthoven, adviseerde evenwel gunstig: “Jacobus Julianus staat hier te goeder naam en faam bekend. Hij is getrouwd met een beschaafde dame van zuiver Hollandschen bloede uit de familie Goedkoop”. Tussen de regels kan men lezen dat een verbintenis met een Indonesische vrouw tot een andere beoordeling had kunnen leiden.

Adriaan Willem (1854 -1932), zoon van Nicolaas Johan en kolonel bij de cavalerie, werd tegelijk met zijn neef Jacob Julianus verheven. Ook over hem werden inlichtingen ingewonnen, maar ook over hem was niets nadeligs bekend.

Vervolgens werd Anthony Emile (1862 – 1938), jongere broer van Adriaan Willem, verheven bij K.B. van 13 december 1921. Hij was evenals zijn neef Jacob Julianus gevestigd in Nederlands Indië, dus ook over hem werden via het ministerie van koloniën inlichtingen gevraagd. Vastgesteld werd, dat er niets op hem aan te merken was, en dat zijn vrouw de dochter was van de administrateur van een suikeronderneming in Besoeki. Hun kinderen waren ook geboren op een suikeronderneming in Sitoebondo.

Afb. 2. Christiaan Snouck Hurgronje (1857–1936). Afb. part. coll.

Ten slotte Christiaan Snouck Hurgronje (1857 – 1936). Zijn carrière is zo overbekend, dat ik deze hier niet zal herhalen. Verwezen wordt naar de hieronder vermelde literatuur. Zijn aanzien als wetenschapper, arabist en islamoloog, regeringsadviseur van het koninkrijk, grondlegger van de Rechtshogeschool te Batavia en hoogleraar was in het latere deel van zijn leven vrijwel onaantastbaar. Hij ontving het Grootkruis in de Orde van Oranje Nassau en was Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Ook was hij voorzitter van het Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. Gezien zijn maatschappelijke status zou hij zeker in aanmerking zijn gekomen voor verheffing in de adel, evenals zijn oomzegger Jacob Julianus.

Maar Christiaan was tijdens zijn langdurige verblijf op Java volgens de islamitische wet getrouwd met een Javaanse vrouw en na haar overlijden met een tweede Javaanse vrouw. Uit beide huwelijken had hij kinderen, die niet zijn naam droegen en islamitisch werden opgevoed. Nadat Christiaan zich definitief in Nederland had gevestigd, trouwde hij in 1910 met een Nederlandse vrouw, met wie hij een dochter had. Deze eerdere huwelijken zullen Christiaan er naar alle waarschijnlijkheid van hebben weerhouden om ook een verzoek tot verheffing in de adel in te dienen. Een huwelijk met een inlandse vrouw werd in die tijd nu eenmaal als maatschappelijk ongepast beschouwd, zeker in de kringen van het midden en hoge kader van de Nederlands – Indische samenleving. En Christiaan had voldoende kennis van zaken om te weten, dat eventuele aspiraties in die richting tot mislukken gedoemd waren. Hij had het ook niet nodig. Tot in de huidige tijd staat hij bekend als een beroemde Nederlander met een vooruitziende blik, die streefde naar een zelfstandig Indonesië en daarmee zijn tijd ver vooruit was.

Bergen april 2018

Literatuur:
A.P. Snouck Hurgronje en A.W.J. Snouck Hurgronje, Genealogie der familie Snouck Hurgronje, Venlo 1924
P.Sj. van Koningsveld, ‘Snouck Hurgronje, moslim of niet?’ Tirade 29 (1985) p. 98 – 128
C.E.G. ten Houte de Lange, Familiefonds Hurgronje 1767 – 1992, Middelburg 1992
Nederland’s Adelsboek 1995, p. 494 – 514
C. Fasseur, Rechtsschool en raciale vooroordelen, Amsterdam 2001
Chr. Snouck Hurgronje en J.J. Witkam, Mekka, Amsterdam 2007
Philip Dröge, De Pelgrim, Houten 2017

Het gezin Van Welderen Rengers-Hoevenaar van Geldrop omstreeks 1898

Afb. 1. Het gezin Van Welderen Rengers-Hoevenaar omstreeks 1898, foto part. coll.
Afb. 1. Het gezin Van Welderen Rengers-Hoevenaar omstreeks 1898, foto part. coll.

Marie Amelie Hoevenaar (1854-1932), die zich meestal Hoevenaar van Geldrop noemde, was mede dankzij het Indische suikerfortuin van haar ouders een aantrekkelijke partij op de huwelijksmarkt en in 1884 huwde zij Edzart Reint van Welderen baron Rengers (1849-1920), die op dat moment commies bij het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid was.

Het was een deftig gezelschap dat zich op 8 december op het Haagse gemeentehuis verzamelde en naast het bruidspaar, de drie ouders (vader Van Welderen Rengers was tragisch genoeg reeds voor de geboorte van zijn zoon overleden) waren ook vier getuigen aanwezig: jonkheer Albert Rijnhold Jakob Klerck, Kolonel Commandant van het Regiment Grenadiers en Jagers en oom van de bruidegom, jonkheer (sic) Jan Maarten Leonard van Bronkhorst, Kamerheer des Konings en neef van de bruid, mr. Hendrik Nicolaas Cornelis baron van Tuyll van Serooskerken, burgemeester van Voorburg en zwager van de bruid, en jonkheer mr. Rijnhold Antonie Klerck, commies bij het Departement van Buitenlandse Zaken en neef van de bruidegom.

Na het overlijden van haar vader Hubertus Paulus Hoevenaar, heer van Geldrop, in 1886 erfde zij f 180.000,-. In 1905 kwam daar na het overlijden van haar moeder, jonkvrouwe Anna Maria Marciane Catharina Homberg de Beckfelt, nog eens ruim f 310.000,- bij. In 1910 kocht barones Rengers in Raalte voor f 159.000,- het 250 ha. grote landgoed Het Reelaer en een nieuw landpaleis verrees op de plek van het afgebroken oude huis, dat voorzien werd van alle comfort. In ’s-Gravenhage werd er een vorstelijk vijf traveeën breed onderkomen gekocht aan het residentiële Nassauplein nr. 26.

Afb. 2. Nassauplein nr. 26 in 's-Gravenhage.
Afb. 2. Nassauplein nr. 26 in ‘s-Gravenhage.

Baron Rengers maakte ondertussen carrière op het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid en werd uiteindelijk chef van het kabinet van de minister. Kroon op zijn carrière was zijn benoeming in 1890 tot kamerheer i.b.d. van Koningin Wilhelmina. In 1920 overleed hij en zijn begrafenis werd een society gebeurtenis met vertegenwoordigers van het Hof en uit adellijke en diplomatieke kringen, waaronder de gezanten van Engeland, België, Turkije, Roemenië en de legatieraad van het Amerikaanse gezantschap. “Onmiddellijk achter de lijkbaar volgde in den stoet in een gala-hofkoets de vertegenwoordiger van de Koningin, de kamerheer in buitengewone dienst mr. W. baron van Ittersum.” “Nadat de lijkkist, overdekt met tal van prachtige bloemstukken, in den grafkelder was neergelaten, sprak de oudste zoon van den overledene een woord van afscheid tot zijn vader, daarbij dankbaar herinnerende aan diens vele goede hoedanigheden, welke niet vergeten zullen worden.” Na het overlijden van haar echtgenoot verhuisde de douairière naar Raalte en overleed daar op het huis het Reelaer in 1932.

Op de foto zien we het gezin omstreeks 1898. De oudste dochter huwde in 1907 een baron de Vos van Steenwijk en zij kochten in 1925 huis Diepenheim, dat nog steeds in het bezit is van hun nakomelingen. De jongste dochter trouwde in 1922 met een jonkheer Groeninx van Zoelen en zij kochten in 1924 het Huys ten Donck uit de familie Groeninx, dat nog steeds bewoond wordt door hun nakomelingen. De oudste zoon was kort gehuwd met een jonkvrouwe Van Loon en kreeg geen kinderen, net als de tweede zoon die op 28-jarige leeftijd in Zwitserland overleed. Van de jongste zoon, die in 1938 in het huwelijk trad met een barones Van Pallandt, stammen de huidige bewoners van het Reelaer af.

Afb. 2. Het Reelaer op een oude ansichtkaart.

Informatie mede met dank aan ‘De havezaten in Salland en hun bewoners’ door jhr. A.J. Gevers en A.J. Mensema (1985).

Zomertip: Borgkinderen op de Fraeylemaborg

Afb. 1. De kinderkamer op de Fraeylemaborg met onder meer speelgoed uit het bezit van de vroegere bewoners.

T/m 30 september is in het koetshuis van de Fraeylemaborg in Groningen de tentoonstelling Borgkinderen te zien. Portretten uit ruim drie eeuwen (1600-1900) vertellen op deze tentoonstelling het verhaal van (adellijke) kinderen op de Groninger borgen.

De portretten laten niet alleen de mode van hun tijd zien, maar tonen ook de kinderen met hun speelgoed of dieren, of soms op de achtergrond het adellijke familiehuis. Voor deze gelegenheid zijn portretten bijeengebracht, die met de geschiedenis van verschillende Groninger borgen te maken hebben, zoals de Fraeylemaborg zelf, maar ook de Menkemaborg, Verhildersum, de Hanckemaborg, borg Ewsum en de Warffumborg.

Aanleiding voor deze tentoonstelling is de recente aankoop van twee kinderportretten die ooit op de Fraeylemaborg zelf hingen. In de onlangs heropende speelkamer kunt u zien hoe het kinderleven er in het verleden uitzag. In deze speelkamer, maar ook op de tentoonstelling zijn verschillende bruiklenen uit het familiebezit van de vroegere bewoners te zien.

AiN ging op bezoek bij jonkvrouwe Catharina van Panhuys en sprak met haar over haar jeugdjaren op de Fraeylemaborg. In de septemberuitgave van het digitale magazine van AiN een verslag hiervan met een fotoreportage van de Fraeylemaborg.

Bent u benieuwd naar dit interview? Door voor 17,50 euro per jaar donateur van AiN te worden, steunt u ons in onze werkzaamheden en ontvangt u dit jaar vier keer het digitale magazine in uw mailbox. Daarnaast ontvangt u als donateur voorrang bij door AiN georganiseerde excursies. Meer weten? Mail naar nieuwsbrief@adelinnederland.nl.

Link naar meer informatie en bezoekmogelijkheden van de Fraeylemaborg, zie https://fraeylemaborg.nl/agenda/borgkinderen/

Afb. 2. De zusjes Louise (1915) en Jeanne (1910) Thomassen à Theussink van der Hoop van Slochteren: zij werden als laatsten geboren en getogen op de Fraeylemaborg. Zij hadden een Zwitserse mademoiselle als kindermeisje, kregen eerst thuis les, gingen vervolgens naar school in Groningen en voltooiden hun opvoeding op een kostschool in Engeland. Het portret door W.B. Tholen uit particulier bezit is één van de vele kinderportretten die te zien is op de tentoonstelling Borgkinderen op de Fraeylemaborg.

 

Thuis heb ik nog een ansichtkaart… Bingerden

Afb. Huis Bingerden zoals het er tot aan de verwoesting in de Tweede Wereldoorlog uitzag. Ansichtkaart part. coll.
Afb. Huis Bingerden zoals het er tot aan de verwoesting in de Tweede Wereldoorlog uitzag. Ansichtkaart part. coll.

Op de foto een vooroorlogse afbeelding van het Huis Bingerden, dat in 1661 door de familie Van Pabst werd gekocht. Begin 19e eeuw werd het op grootse wijze verbouwd door jonkheer Rudolf Willem Jacob van Pabst en echtgenote Jeannette Antoinette Henriette van Diest en er werd zelfs een feest- en ontvangstzaal van grote allure gecreëerd. In 1827 was de verbouwing voltooid en het huis was nu in omvang verdubbeld, maar door de grote staat die de familie voerde, kon dit alles niet lang stand houden.

In 1841 overleed de schepper van al dat moois en een jaar later reeds werd Bingerden in veiling gebracht. Koper werd zijn zusje jonkvrouwe Geertruijd Sara Agatha van Pabst, die gehuwd was met Willem Hendrik Alexander Carel baron van Heeckeren. Haar achterkleindochter, Sophia Wilhelmina barones van Heeckeren van Kell, huwde in 1927 jonkheer mr. Wouter Everard van Weede en zij moesten beleven dat Bingerden, met de bevrijders reeds in zicht, door oorlogsgeweld in 1945 in vlammen opging met de complete historische inboedel.

Een ooggetuige schreef: “Vrijdag 6 April. Als wij ’s morgens opstaan, staat het kasteel Bingerden, waar wij zo lang, gerieflijk en mooi hebben gewoond, in lichter laaie. Daar komen wij nimmermeer in terug. We staan een tijdlang te kijken door een dakraam naar de brand. (…) Bij Derksen heeft men gemerkt, dat Duitse patrouilles rond Bingerden gelegen hebben, mijnen hebben gelegd en dat Bingerden circa te 2 uur ’s nachts in brand stond. En het heeft fameus gebrand!”

Na de oorlog werd Huis Bingerden weer opgebouwd door het echtpaar Van Weede-Van Heeckeren van Kell, maar wel in verkleinde vorm – tijden veranderen nu eenmaal.

 

12 en 13 oktober: jubileumsymposium ‘Adellijke vrouwen: levens & representaties’ op Slot Zuylen

Afb. 1. Slot Zuylen: locatie voor het jubileumsymposium van de Werkgroep Adelsgeschiedenis.

Dit jaar bestaat de Werkgroep Adelsgeschiedenis 25 jaar. Om deze mijlpaal te vieren, organiseert de Werkgroep op 12 en 13 oktober a.s. het internationale symposium Noble Women: Life Roles and Representations /Adellijke Vrouwen: Levens en Representaties. Het symposium richt zich op de verschillende manieren waarop adellijke vrouwen vanaf de late middeleeuwen tot het begin van de negentiende eeuw vorm gaven aan de taken die op grond van hun ‘hoge geboorte’ aan hen werden toegedacht. Decor van het symposium is Slot Zuylen – de geboorteplek van de philosophe Belle van Zuylen, waarschijnlijk de beroemdste adellijke vrouw uit de Nederlandse geschiedenis.

AiN hoorde dat er al veel belangstelling bestaat voor het symposium, het aantal plaatsten is echter beperkt. Wilt u verzekerd zijn van toelating, meldt u zich dan zo spoedig mogelijk aan. U vindt het aanmeldingsformulier hier: https://docs.google.com/forms/d/e/1FAIpQLSdJLNOCHrZ6rC6kzzrYkrDSQQHVZnUeq5jqMQ9tVPTXdLd6ug/viewform

Programma Jubileum Symposium Werkgroep Adelsgeschiedenis Adellijke vrouwen: levens & representaties 12 & 13 oktober 2018, Slot Zuylen

Vrijdag 12 oktober

09.00–10.00 Inloop met koffie, registratie
10.00–10.15 Welkom door Redmer Alma, voorzitter van de Werkgroep Adelsgeschiedenis
10.15–10.45 Keynote door Els Kloek

11.00–12.45 SESSIE I – ADELLIJKE VROUWEN EN KASTELEN IN DE MIDDELEEUWEN
1. Elizabeth den Hartog, Defending the castle like man: women and the building and defense of castles
2. Wendy Landewé, Edelvrouwen als ‘bouwheren’ in de middeleeuwse creatieve cultuur
3. Fred Vogelzang, Rapunzel: de verbeelding van ruimte(n) voor vrouwen in middeleeuwse kastelen
4. Eva-Maria Butz, Burgfrauen – Frauenburgen: Überlegungen zu Wittumsburgen

12.45–14.45 Lunch, rondleidingen door het kasteel en posterpresentaties

14.45–16.30 SESSIE II: LEVENSROLLEN VOOR ADELLIJKE VROUWEN
1. Redmer Alma, Occa Johanna Ripperda: een Europese dame
2. Stephany Freyer, Life Paths of lesser noble women at Princely Courts
3. Evelyn Ligtenberg, Ongehuwde adellijke vrouwen in de vroegmoderne tijd
4. Jaap Geraerts, Models of devotion: catholic women in the Dutch Republic

16.30 – 17.00 Afsluiting

Afb. 2. Isabella Agneta Elisabeth van Tuyll van Serooskerken, (1740-1805). Portret door Guillaume de Spinny op slot Zuylen. Zij is bekend geworden onder haar schrijversnaam Belle van Zuylen.

Zaterdag 13 oktober

9.00–9.30 Inloop met koffie

9.30–11.15 SESSIE III – REPRESENTATIE VAN ADELLIJKE VROUWEN IN MIDDELEEUWEN EN VROEGMODERNE TIJD
1. Sanne Frequin, Heraldische representatie op grafmonumenten
2. Monique Rakhorst, Het sieradenkistje van Amalia van Solms
3. Thomas Kullmann, The construction of female nobility in Sir Philip Sidney’s Astrophil and Stella
4. Sophie Reinders, Literaire representatie in vriendenboekjes van adellijke vrouwen

11.15–11.30 Koffiepauze

11.30–12.45 SESSIE IV – HOFCULTUUR IN DE REPUBLIEK
1. Ineke Huysman, De macht van de brief. Briefwisselingen van de Hollandse en Friese stadhoudersvrouwen 1605-1759
2. Simone Nieuwenbroek, Tussen Noordeinde en het Voorhout. Anna van Hannover en de Bentincks 1737-1759
3. Lidewij Nissen, Een vorstin in Leeuwarden. Sophia Hedwig van Brunswijk-Wolfenbüttel (1592-1642) en de Friese Nasssaus

12.45–14.30 Lunch, rondleidingen door het kasteel en posterpresentaties

14.30–15.45 SESSIE V – REFLECTIE EN ZELFREFLECTIE
1. Greddy Huisman, Het dagboek van Belle van Ittersum (1783-1809)
2. Aafke Brunt, Marie Cornelie van Wassenaer Obdam (1793-1850)
3. Yme Kuiper, Jeanne van Andringa de Kempenaer 15.45–16.00 Theepauze

16.00–17.15 SESSIE VI – BELLE VAN ZUYLEN
1. Margriet Lacy-Bruijn, Belle van Zuylen onafhankelijk – in hoeverre en tegen welke prijs?
2. Suzan van Dijk, Belle van Zuylen over rangen en standen
3. Hanneke Ronnes, Belle van Zuylen, vrouwengeschiedenis & adelsgeschiedenis

17.15 – 17.30 Afsluiting door Redmer Alma, voorzitter Stichting Werkgroep Adelsgeschiedenis
17.30 – 18.30 Afsluitende borrel

Zomertip: ‘Winters in Brussel’ op kasteel d’Ursel

Afb. 1. Kasteel d’Ursel werd in 1761 en 1765 door de Italiaanse architect Servandoni in classicistische stijl aangepast en verkreeg toen de huidige verschijning.
Afb. 2. Het affiche van de tentoonstelling met de voorgevel van het stadspaleis van de hertogen D’Ursel in Brussel.

Op het kasteel d’Ursel in Hingene bij Antwerpen wordt t/m 30 september het verhaal verteld van het Hôtel d’Ursel, het stadspaleis van de hertogelijke familie D’Ursel. Net als zovele adellijke families leefden de hertogen D’Ursel mee op de getijden van de seizoenen en brachten eeuwenlang de zomers door op hun kasteel d’Ursel in Hingene en de winters in hun stadspaleis in Brussel. Het huis kende sinds de aankoop in 1590 niet alleen een rijke geschiedenis, maar ook een zeer rijk interieur. Lang bleef het samen met zijn bewoners als een anachronisme tot in de 20e eeuw moedig in stand, in een stad en een wereld die zich in hoog tempo moderniseerde. Uiteindelijk deden erfenisverdelingen en successierechten hun werk en werd het verkocht om in 1960 onder de slopershamer ten onder te gaan.

Op deze tentoonstelling tonen interieurfoto’s, documenten, maquettes, bouwtekeningen, portretten en voorwerpen het grootse verdwenen verleden en interieur van dit stadspaleis. In de begeleidende teksten komen ook de vroegere bewoners aan het woord, zoals Hedwige markiezin de Maupeou-Monbail née gravin d’Ursel (1902-1987), dochter van de 7e hertog d’Ursel. Melancholisch schrijft zij kort voor de afbraak: ‘Elke ochtend, als ik wakker werd, keek ik naar het groene damast, de vergulde lambriseringen, de fijne decoratie die binnenkort zouden verdwijnen. Ze hebben zoveel van onze generaties voorbij zien komen en wij zijn de laatste. Door de grote geschiedenis, die sterker is dan wij, moeten wij hun opgeven…. En elke dag hield ik er een beetje meer van.’

Afb. 3. Een maquette van de voorgevel van het Hôtel d’Ursel in de grote salon van kasteel d’Ursel in Hingene met zijn unieke roze Chinese behang.

De Nederlandse adel kent op dit moment geen leden met de titel van hertog, maar onder Koning Willem I werden er drie hertogen in de Nederlandse adel opgenomen: De Beaufort-Spontin, De Looz-Corswarem en D’Ursel. Hun nakomelingen kozen in 1830 na de Belgische afscheiding voor de Belgische nationaliteit en gingen daardoor deel uitmaken van de Belgische adel, maar formeel behoren zij ook nog steeds tot de Nederlandse adel.

Afb. 4. De grote salon in het verdwenen Hôtel d’Ursel in Brussel, één van de vele fraaie foto’s op deze tentoonstelling.

Eén van deze drie was Charles Joseph hertog d’Ursul (1777-1860). Hij werd grootmeester van Koningin Wilhelmina, de echtgenote van Koning Willem I. In 1830 stond hij bekend als zeer orangistisch en zijn huis in Brussel werd door het opstandige volk geplunderd. Hij zocht zijn toevlucht in zijn zomerverblijf kasteel d’Ursel in Hingene en schreef: ‘Ik heb een grote weerzin om opnieuw voet in Brussel te zetten en ik ben niet meer in het huis geweest sinds ik er verjaagd ben door een bende plunderaars.’ Uiteindelijk koos hij in 1830 voor de Belgische nationaliteit en zijn nakomelingen leven nog steeds voort in de Belgische adel, waarbij de Chef de Famille de titel van hertog heeft en de overige leden de titel graaf/gravin voert.

Afb. 5. Portretten en voorwerpen uit het verdwenen Hôtel d’Ursel in Brussel.

In 1973 werd het kasteel d’Ursel verkocht door de 8e hertog. Sinds 1994 is het kasteel in het bezit van de provincie, die het restaureerde en er sindsdien succesvol vele activiteiten organiseert. In 2009 keerde een belangrijk deel van de oorspronkelijk inrichting terug dankzij een bruikleen van de 10e hertog: duizenden boeken en verder portretten, meubelen en siervoorwerpen.

Tentoonstelling ‘Winters in Brussel’ is t/m 30 september te zien op kasteel d’Ursel in Hingene. Let op: voor individueel bezoek is de tentoonstelling en het kasteel alleen op de zondag tussen 13.00 en 18.00 uur te bezichtigen.

Link naar de website van kasteel d’Ursel voor meer informatie https://www.kasteeldursel.be/bezoek/winters-in-brussel–de-stadsresidentie-van-de-familie-d-ursel–1.html.

Voor wie niet in de gelegenheid is om de tentoonstelling te bezoeken: in de september uitgave van het digitale magazine van de Stichting Adel in Nederland (AiN) komt een uitgebreide reportage in woord en beeld over kasteel d’Ursel en deze tentoonstelling te staan. Door voor 17,50 euro per jaar donateur van AiN te worden, ontvangt u dit jaar vier keer het digitale magazine in uw mailbox. Daarnaast ontvangt u als donateur voorrang bij door AiN georganiseerde excursies. Meer weten? Mail naar nieuwsbrief@adelinnederland.nl.

Afb. 6. Het toegangshek met in de verte het kasteel d’Ursel in Hingene.

Zomer 1880: de bloeiende Agave americana op Den Bramel

Afb. 1. De bloeiende Agave americana op Den Bramel en tuinbaas Jäncke, foto part. coll.
Afb. 1. De bloeiende Agave americana op Den Bramel en tuinbaas Jäncke, foto part. coll.

Op Den Bramel, één van de acht kastelen van Vorden, woonde in 1880 jonkheer Imilius Frederik Storm van ’s Gravesande (1822-1891) met zijn gezin. De familie leefde op grote voet en zo werd het huis aan de achterzijde uitgebouwd, waren er reisjes en ontvangsten en was er ruim personeel aanwezig, waaronder een Zwitserse gouvernante. Op de tuin was men zeer gesteld en aan het hoofd stond ‘Baas Jäncke’ met wie niet te spotten viel en zonder wiens toestemming de kinderen Storm nog geen kersje van de boom mochten plukken – ook al gebeurde dat achter zijn rug om natuurlijk wel.

Afb. 2. Den Bramel in 1870, voor de grote verbouwingen, foto part. coll.
Afb. 2. Den Bramel in 1870, voor de grote verbouwingen, foto part. coll.

In de zomer van 1880 haalde Den Bramel de krant, omdat een vijfenzeventigjarige Agave americana daar een hoogte van ongeveer zes meter bereikt had en tot bloei was gekomen. Voor deze bijzondere gelegenheid kwam er zelfs een fotograaf naar Den Bramel om dit vast te leggen, want men was hier trots op.

Een zekere statusgevoeligheid lag hier ook wel aan ten grondslag, want een bloeiende agave kwam in die tijd niet heel vaak voor. Om de agave nog groter te doen lijken, zat de tuinman er op zijn knieën naast. Op de andere foto zien we hem geduldig voor de camera poserend met zijn gieter in de ene en een bosje bloemen in de andere hand als toonbeeld van zijn werkzaamheden.

Boekennieuws: Stinzen, staten en buitenplaatsen in Friesland

Afb. Op de voorkant van het boek Epemastate in Ysbrechtum.

De huizen van adellijke en patricische families in Friesland worden stinzen en staten genoemd. Eens stond Friesland hier vol mee, maar velen zijn in de loop der eeuwen verdwenen. Wat bleef, vormt nog steeds een rijk erfgoed in Friesland, dat een mooi beeld biedt van de representatie van de Friese adel, patriciërs en ook rijke kooplieden in de voorbije eeuwen. De huizen en hun interieurs laten de smaak en welvaart van hun vroegere bewoners zien, waarbij ook de tuinen volop aandacht kregen.

Kunsthistorica drs. Rita Radetzky schreef voor de Stichting Staten en Stinzen dit standaardwerk, waarin een overzicht wordt gegeven van wat er bleef van dit belangrijke erfgoed. Het boek begint met een inleiding, waarin wordt ingegaan op de historische ontwikkeling van stinzen, staten en buitenplaatsen. Stinzen waren verdedigbare gebouwen van steen, waarvan er ooit zo’n zevenhonderd geweest moeten zijn. Het waren meestal torens op een kunstmatige verhoging of op een omgracht terrein. Toen het tijdperk van de stinzen voorbij was door de komst van het zware geschut, kwam er een nieuw type huis: de state. Dit was een representatief huis met veel meer aandacht voor comfort. Vanaf de 18e eeuw kwam er een bloeiperiode voor buitenplaatsen, waarbij de recreatieve functie steeds belangrijker werd.

Hierna volgen er afzonderlijke hoofdstukken over de overgebleven stinzen, staten, stadspaleizen en andere huizen, buitenplaatsen in de achttiende eeuw en negentiende eeuw en poortgebouwen. Bij ieder huis wordt het verhaal verteld van de bouw- en bewoningsgeschiedenis, waarbij zeer fraaie foto’s de huidige situatie laten zien en historische foto’s van onder meer interieurs en bewoners het verleden laten herleven.

Achterin het boek maken een adreslijst van alle stinzen, staten en buitenplaatsen met daarbij een overzichtelijke kaart het boek compleet.

Stinzen, staten en buitenplaatsen in Friesland is een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in dit erfgoed. Op overzichtelijke wijze en met diepgang worden de huizen in beeld gebracht, waarbij de rijke illustraties het verhaal compleet maken.

Voor meer informatie over dit boek en bestelmogelijkheid zie http://www.statenstinzen.nl/nieuws/het-boek-van-staten-en-stinzen/.